Kruiswoorden

7 kruiswoorden

2015 pigment, sumi, inkt op papier – 50×70 cm

words on the cross 

 

1. Lucas 23,34
33 Toen ze op het zogeheten Schedelveld° kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem. 34 Jezus sprak: `Vader, vergeef het hun, want° ze weten niet wat ze doen.‘ Ze verdobbelden zijn kleren. 35 Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: `Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’ 36 Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen 37 en zeiden: `Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!’ 38 Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden. 39

 

words on the cross

2. Johannes 19,26-27
25 Intussen stonden bij het kruis van Jezus zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. 26 Jezus zag zijn moeder, en bij haar de leerling van wie Hij hield. Toen zei Hij tegen zijn moeder: `Vrouw, daar is nu je zoon.’ 27 Vervolgens zei Hij tegen de leerling: `Daar is je moeder.’ Toen, van dat uur af, nam de leerling haar bij zich in huis op.

 

words on the cross

3. Lucas 23,43
Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: `Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!’ 40 Maar de ander wees hem terecht: `Heb zelfs jij geen ontzag voor God, nu jij ook deze straf ondergaat? 41 In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.’ 42 Daarop zei hij: `Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.’ 43 Hij zei tegen hem: `Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.’

kruiswoorden

4. Matheus 27,46
45 Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur. 46 Rond het negende uur riep Jezus met luide stem uit: `Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten? 47 Sommigen die daar stonden, hoorden dat en zeiden: `Hij roept Elia.’ 48 Meteen rende een van hen weg om een spons te halen, doopte die in wijn, stak hem op een rietstok en wilde Hem te drinken geven. 49 Maar de anderen zeiden: `Niet doen! Laten we eens kijken of Elia Hem komt redden.’ 50 Maar Jezus schreeuwde opnieuw luidkeels en gaf de geest.

words on the cross

5. Johannes 19,28
28 Jezus wist dat alles thans volbracht was. Daarom zei Hij – want de Schrift moest ten volle in vervulling gaan – `Ik heb dorst.’ 29 Er stond daar een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond.

 

words on the cross

6. Johannes 19,30
30 Toen Jezus van die wijn gedronken had, zei Hij: `Het is volbracht.‘ Daarop boog Hij het hoofd en gaf Hij de geest.

 

words on the cross

7. Lucas 23,46
44 Al rond het zesde uur werd het donker in heel het land, tot het negende uur. 45 Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor. 46 Toen riep Jezus luidkeels: `Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.‘ Na deze woorden stierf Hij.

De sacraliteit van het landschap

sacraliteit

Sacraliteit

Het landschap bevat meer dimensies. Een ervan is de poëtische. Een andere is de religieuze. Weer een andere is de esthetische. Tenslotte is er nog de historische en politieke dimensie. De andere dimensies zoals de geografische, de materiële, de economische etc. laat ik buiten beschouwing omdat ze in deze bijdrage voor mijn werk niet meteen terzake zijn.
In mijn landschappen streef ik ernaar om de sacrale religieuze dimensie van het landschap bloot te leggen. Het sacrale is verborgen, als het ware afzijdig, als het heilige apart gezet, verhuld. Deze verhulling probeer ik zichtbaar te maken. Daartoe gebruik ik kleur en vorm. Het heilige, sacrale van het landschap is een kwestie van duiding. Interpretatie en betekenisgeving bepalen dit proces en de uitkomst ervan. Het gaat niet om bewijzen, niet om het onmogelijke aan te tonen. Het gaat om een zoektocht, het verkennen van een richting, van een mogelijke dimensie van het landschap. De religieuze, sacrale, heilige dimensie heeft daarbij mijn aandacht, zij werkt betoverend op mij. Al mijn schilderen is een poging om die dimensie te benaderen.
Daarbij sta ik onder invloed van voorgangers in de schilderkunst die hun werk tot zoektocht hebben gemaakt. Zoektocht op weg naar het geheim: onder andere richtinggevend waren Anselm Kiefer, Armando, Caspar David Friedrich en Kaii Higashiyama. Zij allen hebben het landschap ingezet als metafoor voor een andere werkelijkheid, een werkelijkheid erachter, eronder. Het landschap is de verhulling. Het is de sluier die over deze werkelijkheid ligt. Hoe de werkelijkheid eruit ziet die eronder, erachter ligt, daarover zijn slechts vermoedens te uiten. Intuïtief kan er misschien, en op poëtische wijze, een fragment zichtbaar worden – iets oplichten, zoals het eerste licht in de ochtend. Soms doet een schilderij deze poging en lukt het. Soms ook niet.

Toeschouwer

Essentieel blijft ook de bijdrage van de toeschouwer die aan het werk participeert. Voor mij is dan ook uitgangspunt dat de toeschouwer het werk af maakt. Hij draagt zijn eigen betekenissen aan en kleurt daarmee het landschap. Dat is goed zo. Dan wordt het ook een werk van hem/haar.
Mijn werk vraagt aandacht, zorgvuldig overwegen. Niet wat er is te zien, maar vooral wat het met je doet en welke vragen erin verborgen zitten. Waar is het heilige en is het wel aanwezig? En zo ja, waar, zo nee, waarom niet? Wat is heilig, sacraal in mijn leven, mijn levensweg, mijn wandeling naar de horizon van het leven? Dit soort vragen spelen in mijn landschappen de voornaamste rol. Zij vormen de richtingwijzers. Zij sturen de betekenissen net zoals in de bijbelse landschappen waar het volk op weg gaat door de woestijn, over bergen en zeeën op weg naar een toekomst, naar dat wat komen gaat.
Mijn landschappen zijn wandelingen, wandelingen met God (Micha 6,8). Niet meer en niet minder. Wandelingen. God is onzichtbaar, Hij is verborgen en dat is goed zo. Het geheim hoeft niet worden onthuld. Kan ook niet worden onthuld. In die spanning is het goed wandelen. Goed schilderen. Goed leven. Daarmee is mijn schilderen een religieus project. Niet iedereen zal het resultaat aanspreken. Dat is ook niet belangrijk. Het gaat om de wandeling, het proces. Het stellen van de goede vragen en het verkennen van de weg. Ieder gaat zijn eigen weg. Zijn levensweg. Mijn weg is er een met verf en papier, kleur en vorm. Onder andere, want ik wandel op vele wegen. Gaandeweg ontdek ik wel hoe het landschap mij draagt, hoe de verborgen sacraliteit mijn leven poëtische inspiratie geeft. Daarvan is er nooit genoeg. Liever poëzie dan politiek, liever zoeken naar heiligheid dan naar populariteit. Je bent zelf de betekenisgever van je leven. Laat de poëzie van de verbanden spreken – leef je leven in een nieuwe stijl – als wandeling.

John Hacking

sacraliteit

De verte

De ziel van het landschap is de verte
Japanse spreuk

 

Verte

Soms geeft een uitspraak licht, verlicht hij de geest. Opeens zie je het en weet je het. Je had het al vermoed maar nu weet je het zeker. In het landschap heeft de verte een magische aantrekkingskracht. Tenminste op mij. Je blik wordt er naar toe getrokken, je kunt je ogen er niet van af wenden. De verte houdt een belofte in, een horizon achter de horizon. Omdat je niet op die plek bent en dus ook niet weet wat er te zien en te beleven valt kan je fantasie de vrije loop nemen. De verte trekt, de verte is magie pur sang.
Als een schilderij met enkele streken een figuur verbeeldt, een landschap aanduidt, dan vult de geest de ontbrekende delen aan. Dat is bekend uit de psychologie van de waarneming. Maar in de verte gebeurt nog iets anders. De verte onthult een diepte, een laag die zo op het eerste gezicht niet zichtbaar is, of ervaarbaar, maar die wel op de een of andere wijze de geest prikkelt, aanzet tot emoties, iets oproept of wakker maakt in de beschouwer. Misschien is dat wel de werking van het landschap op de toeschouwer in het oosten. Sacraliteit die geduid wordt, aangeduid door de verte. Het hier en nu overstegen, overschreden door een belofte van de verte.

verte
De berg Fuji is in Japan een heilige berg, een sacrale berg die iets van een sacrale werkelijkheid onthult. Dat is zeker niet op basis van zijn materialiteit, zo vermoed ik. Hij rust als een berg, onverplaatsbaar, onwankelbaar. Hij rust in zichzelf, maar de top is ver weg, ligt in de verte. En precies die top, bedekt met sneeuw is volgens mij de oorzaak voor het feit dat hij beschouwd wordt als heilig. De top verbeeldt de verte, de top is de ziel van de berg en het puntje van de ziel. De top kan niet zonder het fundament maar de top trekt alle aandacht. De top neemt je als het ware bij de hand om je als toeschouwer op te heffen, boven je dagelijks bestaan en je dagelijkse zorgen. Misschien is dat dan ook wel het geheim van bergen in het algemeen, ze tonen een dimensie, beloven door hun verte, hun imposante gestalte, iets wat verder gaat dan onze alledaagse hier en nu ervaring. Dat reiken naar de hemel, want bergen zijn aarzelende hemelbestormers, geeft hen iets van sacraliteit en wordt door de mensen als religieuze dimensie ervaren. Het beklimmen van een dergelijke berg maakt je hiervan deelgenoot en daar kan je ratio niets aan veranderen, hoe “aufgeklärt” je misschien ook bent en je voordoet.
De ziel is, hoewel ze wordt ontkend door psychologen en vele anderen, de kern waar het om draait. Jouw ziel wordt geraakt door de ziel in het landschap, de ziel van de berg. Ware dat niet zo, dan zou je ook niet geraakt worden, had je zelf geen ziel, dan was er ook geen zielsverwantschap. De romantiek is bij uitstek de periode waarin deze zielenrelaties zijn verkend en uitgediept. Prachtige schilderijen en romans ontstonden in die periode en tot op heden heeft de romantiek zijn sporen nagelaten. In die zin voel ik mij ook een schilder die geraakt is door de romantiek van het landschap en de zoektocht naar de ziel. Mijn ziel wordt geraakt door de ziel in het landschap, de verte, en mijn ziel wil niets anders dan deze emotie opnieuw weergeven in een schilderij. Ook in het abstracte werk is die ziel aanwezig maar dan op een wijze zonder expliciete horizon. In het abstracte werk is alles horizon, en kan alles horizon zijn. Het houvast hoeft er niet te zijn in de vorm van een horizon. Je kunt met je ogen dwalen, je hoeft nergens te blijven haken, alles mag en alles kan. In het landschap met een horizon wordt je uitgenodigd om meer te focussen omdat de verte je aandacht trekt. In het abstracte werk is die focus veelzijdig. Daarom ook heeft het abstracte een eigen aantrekkingskracht die mensen niet aanspreekt als ze zich nooit eraan hebben over gegeven.
Dat is wat het landschap ook doet: je uitnodigen om je over te geven, om te dromen en ervaren, om de verte in je te laten werken, te laten inwerken op je ziel. Zielsverwantschap, zielsverbondenheid, dat is waar het om draait en wat de sacraliteit van het landschap uitmaakt en vorm geeft. Schilderen met je ziel opdat je ziel geraakt wordt door je eigen creatie. Er is toch bijna niks mooier dan dat?

John Hacking
2015

verte

Interview

De vruchtbare aarde 2010
Een wandeling met landschapsschilder John Hacking

Een interview

Zoeken naar de horizon

Hij houdt van wandelen en van de natuur. Hij schildert landschappen met een enorme fascinatie voor de horizon. “De werkelijkheid bevat een poëtische waarheid, naast andere vormen van waarheid.” John Hacking is een van de drie studentenpastors van de universiteit van Nijmegen. Op woensdag is hij meestal vrij. Maar op andere dagen worden studenten en medewerkers van harte uitgenodigd binnen te lopen. De deur staat meestal open. Vandaag komt Leonard Groenveld binnenlopen. Waar komt Hackings fascinatie voor de horizon vandaan? En waarom zuigt het ene schilderij je het landschap in, terwijl het andere je koud laat?

Nijmeegse studenten hadden het er maar moeilijk mee, met het graf dat studentenpastor John Hacking zomer 2009 groef in de tuin van de studentenkerk. En zijn hartelijke uitnodiging om eens een half uur of langer in dat louteringsgraf te gaan liggen, vonden ze eng, freaky en griezelig. “Maar door bezig te zijn met de dood,” aldus Hacking, “ga je als mens pas echt nadenken over het leven.”
Sinds 1999 is John Hacking verbonden aan de universiteit van Nijmegen. Een stap waar hij geen moment spijt van zegt te hebben gehad. “In veel college’s zou ik zo willen aanschuiven om iets op te snuiven van het vak. Vooral als het over geschiedenis, filosofie en kunst gaat.” Hij geniet dagelijks van het werken met studenten en medewerkers, en van hun vragen en interesses, en last but not least van de prachtige omgeving rond Nijmegen.
In zijn vrije tijd trekt hij er graag op uit om te wandelen. En hij schildert landschappen. Bij het maken van onze afspraak was ik er dan ook stilzwijgend vanuit gegaan dat onze wandeling zich buiten de bebouwde kom zou afspelen, richting bossen, velden of uiterwaarden. Maar als ik John Hacking (1956) een week voor onze ontmoeting vraag in welk landschap hij het liefste met me wil wandelen, kiest hij voor het universiteitsterrein. En veel tijd heeft hij niet. Het is en blijft werktijd. Een gesprek van een uurtje, okee, maar dan heeft hij nog meer te doen. Uiteindelijk blijkt onze ontmoeting drie uur te zullen duren.

interview

leven en dood

De zon schijnt op de afgesproken donderdagmorgen in november. Ik tref John Hacking in zijn werkkamer in de Studentenkerk. Bij een kop koffie raken we in gesprek raken over het door hem zelf gegraven louteringsgraf. Vanwege de blijvende belangstelling van studenten en medewerkers is besloten dat het nog tot eind juni 2010 geopend zal blijven.
Hacking: “In essentie gaat dat graf over het overschrijden van grenzen, om daarachter nieuwe mogelijkheden te ontdekken. Durf je stil te staan bij de dood en zo ja, hoe verhoud je je daar dan toe? Voor veel studenten is de dood een enorm taboe. Daarom vinden sommigen het liggen in zo’n graf een akelig idee. Dan opper ik dat je bijvoorbeeld als medische student intens te maken krijgt met leven en dood. En zo niet in je studie, dan toch zeker in je omgeving.
“Sommige studenten laten zich wel aan een elastiek van een brug vallen, voor de kick. Dat zou je spelen met de dood kunnen noemen.” En net als bij bungeejumping, zegt hacking, biedt ook het louteringsgraf een fysieke ervaring. “Het liggen in het graf beroert je huid; de uiterste grens van het lichaam. Je zzintuigen worden anders geprikkeld. Omdat je ‘slechts’ een stukje van de hemel kunt zien, ga je intenser luisteren. In zekere betreed je via zo’n nieuwe ruimte een nieuwe dimensie. Of zoals een studente zei: ‘Ik besefte opeens dat het leven doorgaat, ook als ik er ooit niet meer zal zijn. En daar had ik helemaal vrede mee’.
“Lust je nog een kopje koffie of zullen we een kijkje bij het graf gaan nemen?”
We lopen naar het louteringsgraf, dat zich in de tuin achter de Studentenkerk bevindt. Het graf is gemarkeerd door roodwit gestreepte linten. “Om te voorkomen dat de tuinman er tijdens het grasmaaien in belandt,” legt Hacking uit.
Anders dan in het vroege najaar, toen er twee houten pallets in lagen, is de bodem nu bedekt met een bed van bladeren. Dat ligt heerlijk, merk ik als ik me even later in het graf neervlij. Het heeft iets weldadigs – om omgeven door stevige wallen van aarde naar de blauwe hemel kijken.
Na circa vijf minuten sluit ik mijn ogen. Het besef dat ik midden in een interview zit, verdwijnt. Daarvoor in de plaats ervaar ik een soort oergevoel; van alle tijden. Even hoef ik me niet staande te houden, ik word gedragen en voel me geborgen. Zo blijf ik een poosje liggen, volkomen gedachteloos. Tot ik in de verte een auto hoor toeteren.
Terwijl ik opsta uit het graf, zie ik John Hacking een eindje verderop lopen. Hij heeft zich even teruggetrokken, maar hier is hij weer. Hij ziet nogal wat overeenkomsten tussen het louteringsgraf en een landschapsschilderij, zegt hij. “In beide gevallen gaat het immers om ruimtes die de geest prikkelen tot een nieuwe kijk.”

interview

Troost

Op de campus is het intussen een komen en gaan van bedrijvige studenten, lopend of fietsend. Een levend schilderij in een decor van kolossale universiteitsgebouwen. Hacking: “Als je goed kijkt zie je dat iedereen haast heeft. Op weg naar het volledige college. Tussendoor even de voicemail afluisteren, een snelle hap. Dit hele landschap staat bol van de activiteit. Overal waar de studenten tijdens de introductiedagen een kijkje nemen, moeten ze iets dóen. Ze zijn dan ook heel verbaasd als ik ze voorstel een half uurtje te gaan zitten en helemaal niets te doen. Een moment van bezinning, met ruimte voor het voelen van eenzaamheid.”
We lopen via het terrein van de Radboud Universiteit naar Park Brakkenstein. Een fraai park in landschapsstijl, met grote grasvelden en daartussen groepjes bomen. De hectiek van de campus maakt plaats voor de rust van het landgoed.
Terwijl we wandelen door een laan van eeuwenoude beuken, zegt Hacking: “Zo’n landschap doet iets met je. Je kunt stil worden van de grootsheid, het imposante. Je kunt je er zowel verloren in voelen als getroost.”
Landschapschilders doen dat in verhevigde mate, zegt hij, dat toedichten van een bepaalde betekenis aan het landschap. “Dat zie je bijvoorbeeld bij Armando. Als kind groeide hij op in de nabijheid van Kamp Amersfoort, en dat zou hem zijn hele leven blijven beïnvloeden. Hij schilderde tal van landschappen waarin het oorlogsdrama zich vermengde met de natuur.
“Veel mensen zien de natuur – aangelegd of niet – graag als puur. Maar Armando schildert bomen die boosaardig zijn. Bomen die immers alle gruwelen hebben gezien, en die daar niks aan hebben gedaan. Daarom spreekt Armando over een ‘schuldig landschap’. Als toeschouwer van zijn geschilderde landschappen is het alsof je toegang krijgt tot die andere dimensie. Je ziet en ervaart dat het landschapsschilderij meer is dan alleen maar wat verf en een ondergrond. Je betreedt een andere ruimte en wordt daarvan deelnemer.”
Wacht even. Hoe kan ik een landschapsschilderij als ruimte betreden? “Ja, dat kan alleen in de geest”, zegt Hacking. “Maar omdat het lichaam ook van dienst te zijn, ontwierp de landschapsschilder Anselm Kiefer later letterlijk ‘andere’ plaatsen in zijn atelier. Ruimtes waar je letterlijk in en uit kon lopen. Hij noemde deze ruimtes onder meer ‘hemelpaleizen’, waarmee hij verwees naar de joodse mystiek.
“In een nieuw filiaal van Albert Heijn weet je vrijwel meteen feilloos de weg. Dat is prettig, maar ook een beetje saai. Daarentegen word je in de fysieke ruimtes van Kiefer voortdurend voor verrassingen geplaatst. Niet voor niets hebben veel van zijn werken de titel ‘Labyrint’. Het leuke van een labyrint is dat het niet uit maakt van welke kant je binnenkomt. Zo kijk ik ook naar ‘de waarheid’. Hoewel de waarheid voor sommigen ‘heilig’ is, kun je er ook van verschillende kanten naar kijken. Juist die verschillende invalshoeken leveren mij vaak een frisse kijk op de essentie op.”

Via Park Brakkenstein belanden we in de Hortus. Een waar paradijs voor wie een rijk scala aan bomen, heesters, bloemen dicht bij elkaar wil zien. Het ene moment waan je op de rotsige top van een berg, het volgende moment hoor je wind door het riet ruisen.
In dit poëtische landschap spreken we over gedichten. “Ook poëzie is een toegang tot de werkelijkheid, met een geheel eigen lading” zegt Hacking. “Neem Fernando Pessoa. Hij worstelde met de vraag of er een transcendente dimensie is tussen hemel en aarde. Hij zag de bomen, bergen, bloemen – allemaal volkomen aards. En toch eindigt een van zijn gedichten met de zin: ‘En ik ga met hem ieder uur’. Daaraan vooraf gaat bijvoorbeeld dit fragment:
Maar als God de bomen en de bloemen is
En de bergen en het maanlicht en de zon,
Waarom dan noem ik hem God?
Ik noem hem bloemen en bomen en bergen en zon en maanlicht;
Want als hij, opdat ik hem zou zien,
Zich zon gemaakt heeft en maanlicht en bloemen en bomen en bergen,
Als hij mij verschijnt zijnde bomen en bergen
En maanlicht en zon en bloemen,
Dan is het omdat hij wil dat ik hem ken

peel

Sabbat

In de periode december – februari 2006 nam Hacking een korte sabbatperiode. In die tijd ging hij op zoek naar kunstenaars die landschappen schilderen vanuit de vraag of er sporen van het goddelijke zijn aan te wijzen in het landschap. “Een poging om mijn inspiratiebronnen uit de afgelopen dertig jaar te inventariseren. Daarbij werd ik vooral verrast door de Zenboeddhistische benadering.
“Kijk, in het westen heb je de kunstenaar en zijn ideeën. Daar hangt altijd een prijskaartje aan. Een Karel Appel, honderdduizend euro. Een Van Gogh, twee miljoen euro. Vaak verdwijnt het werk zelf achter de prijs en de naam van de kunstenaar.
“In Japan werkt het precies andersom. De kunstenaar die het hoogst aangeschreven staat, is degene die de goddelijkheid van de werkelijkheid het volmaaktst tot uitdrukking weet te brengen. Pas op de onderste trede staat de kunstenaar met zijn ideeën. Dat spreekt me bijzonder aan. Het gaat niet om mij, maar om mijn zoektocht en die zoektocht breng ik als schilder tot uitdrukking.
“Blijft de vraag: wie ben ik, als mens? In mijn vorige baan als basispastor in Badhoevedorp probeerde ik de overledene tijdens rouwdiensten graag in zijn of haar eigenheid te benoemen. Voor mij zijn wij metaforisch gesproken als mens allemaal een ‘ui’. Begonnen met een kiem, waarom steeds meer schillen groeien. Die schillen horen er allemaal bij.
“Als landschapschilder probeer ik verbinding te leggen tussen buitenkant en essentie, en vooral de wisselwerking tussen die twee. In mijn jeugd, toen ik een jaar of zestien was, las ik een boekje over boeddhistische schilderkunst. Ja toen al. Daarin stond de vraag: Stel, je ziet een tijger; wat beeld je dan van die tijger uit op papier of op een doek? Wat je uitbeeldt als kunstenaar is de indruk die de tijger op JOU maakt. Dus niet de tijger op zich, niet de omgeving, nee de emotie die jij voelt bij het zien van een tijger.”

interview

Horizon

We lopen terug naar de Studentenkerk. Hacking: “In mijn schilderijen komt de relatie hemel en aarde voortdurend terug. En het zoeken naar de horizon. De horizon als de denkbeeldige lijn tussen hemel en aarde én de letterlijke scheiding tussen de aarde en wat daarboven komt.
“Zonder die horizon geen scheiding, maar ook geen hemel en aarde. De horizon fascineert mij mateloos, omdat het kijken ernaar en de bepaling ervan ons ruimte geeft. De horizon ligt nooit bij voorbaat vast. De horizon wil ontdekt worden, dat is het mooie ervan; hij verandert, hij verschuift voortdurend. Telkens als wij van plaats verwisselen schuift de horizon op, komt hij dichterbij of verdwijnt juist in de verte.”
Het niet opmerken van de horizon typeert voor Hacking een staat van blindheid. “Van desoriëntatie, van vertwijfeling, zo je wilt. Want het leven is een zoeken en dolen, zonder begin en zonder einde. Je oriënteren op de grond onder je voeten, of de hemel boven je hoofd zonder horizon, is een zinloze bezigheid, want zonder besef van de horizon heb je geen overzicht.
“In mijn ogen is de horizon de bondgenoot van de mens, omdat hij staat voor datgene waar de mens naar kan verlangen en wat hij kan bereiken. Een bondgenoot die dat verlangen voortdurend zichtbaar maakt. Iedere dag opnieuw kun je jezelf de vraag stellen: waar ligt vandaag mijn horizon?
“En via die vraag beland je vanzelf bij de horizon van je innerlijke landschap. Het landschap van de geest, maar ook van het lichaam! Hoeveel ruimte heb je daar? Wat is je uitzicht? Kijk je steeds tegen dezelfde berg op? Waar zie je water? Waar stroomt het?
“En wat als je innerlijke landschap er dag na dag hetzelfde uitziet? Als je daar tevreden mee bent, prima. Maar er dienen zich vele mogelijkheden aan zijn als je daar verandering in aan wilt brengen. Ik houd van de natuur en van wandelen. Ga bijvoorbeeld eens wandelen, met al je zintuigen wijd open. Voel de wind op je huid, hoor de vogels, ruik de aarde, zie je eigen horizon. Je innerlijke landschap schildert zich als vanzelf in je af.”
Die ervaring, aldus Hacking, behoeft eigenlijk geen toelichting, ook al maakt hij er soms schilderijen van, met zelf gemaakte verf. Pigmenten, water en bindmiddelen werken steeds weer anders op elkaar in, heeft hij gemerkt. Spannend noemt hij het dat op die manier ook het toeval een rol speelt bij de totstandkoming van zijn schilderijen.
Uitgangspunt is vaak een concreet landschap, in de vorm van een zelfgemaakte of gevonden foto. Daaromheen schildert hij een nieuw landschap. Soms begint hij met het trekken van een paar lijnen op een vel papier. Dan ontstaat vanzelf een landschap; zonder bijbedoeling, zonder opzet en zonder compositie in het hoofd. Een schilderen in de traditie van de oude sumi-techniek. Het grote gebaar wordt van binnenuit gemaakt. De arm doet het werk. “Het hoofd komt hoogstens achteraan om als het werk klaar is een kleine bijdrage te leveren in de vorm van een betekenis.” Lachend: “Op dit punt wint de schilder in mij het van de theoloog.”
We zijn weer terug bij de Studentenkerk. Hoewel onze ontmoeting daarmee is afgelopen, zou ik graag nog uren samen verder wandelen. Maar voor Hacking roept het werk. Een collega komt melden dat er voortdurend wordt gebeld over de vacature ‘medewerker secretariaat’. De collega gaat nu lunchen. Of Hacking ze te woord wil staan.

Tijdens de terugreis passeren, letterlijk in sneltreinvaart, diverse landschappen de revue, ingelijst door het coupéraam. Soms zie ik de horizon, bijna als een rechte lijn. Soms wordt het royale vergezicht belemmerd door kolossale stadslandschappen of megalomane kantoorgebouwen. Merk dat ik daar nu anders naar kijk. Milder. In al dat steen en beton wonen en werken mensen; unieke levens tussen hemel en aarde. In mijn belemmerde uitzicht is een perspectief ontstaan.

Leonard Groenveld
nadere info op va-magazine.nl

interview

De horizon in mijn werk

horizon

Horizon

Hemel en aarde raken aan elkaar aan de horizon. Dit uitgangspunt is sinds jaren mijn thema in mijn landschapsschilderijen. Mijn eerste inspiratie deed ik op tijdens het lezen van een handboek over schilderen in de zen-traditie in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In dit werk werd aan de hand van voorbeelden uitgelegd hoe landschapselementen zoals wolken, bomen, bergen konden worden getekend met inkt. Het was vooral een werkboek en minder een theoretische onderbouwing van de opvattingen vanuit de zen-traditie. Pas veel later kwam ik hier achter. Maar ik heb het nog niet zo helder uiteengezet gezien als laatst bij de Franse filosoof François Cheng die over de schoonheid mediteert en hierbij gebruik maakt van zijn Chinese filosofische achtergrond. Hij beschrijft een drieledig systeem dat aan de basis ligt van de beoordeling van een kunstwerk. Hij onderscheidt drie niveaus: de yin-yun, de qi-yun en de shen-yun.
Ik citeer: “Aan de basis ligt de yin-yun of ‘eenmakende wisselwerking’. Letterlijk gaat het hier over een atmosferische toestand, waarbij verschillende elementen van het Yin en het Yang met elkaar in contact, in wisselwerking komen. (…) De tweeterm ‘Hemel-Aarde’ doet me denken aan het ideogram ‘een’ dat geschreven wordt als één horizontale streep. In de Chinese filosofie stelt dit karakter het oerkenmerk voor – de oorspronkelijke Adem – die de Hemel en de Aarde van elkaar scheidde. Bijgevolg betekent het tegelijkertijd verdeling en eenheid.”
Deze lijn, streep, keert terug in het landschap in de vorm van de horizon. Het is voor mij een verwijzing naar de goddelijkheid van de werkelijkheid en de sacrale krachten die daarin werkzaam kunnen zijn. Het is een vorm van semiose, betekenis geven aan de ons omringende werkelijkheid vanuit de context van een dynamisch denken dat transformatie en groei, de kringloop van leven en dood, de voortdurende wisselwerking van organismen met hun omgeving, kortom beweging centraal stelt. Er is geen stilstand, geen niets. Er is wel een lege ruimte, maar leeg is hier een relatief begrip want de ruimte is omkaderd, zoals een beker leeg moet zijn om wijn te kunnen bevatten.
Cheng spreekt over het tussenliggende niveau. “ Op het tussenliggende niveau bevindt zich de qi-yun of ‘ritmische adem’. ‘Moge de ritmische adem bezield zijn’ is een van de zes regels die Xie He in het begin van de zesde eeuw voor de beeldende kunst vastlegde. (…)

horizon
Nog altijd volgens deze kosmologie gaat de Chinese filosofie ervan uit dat ‘de adem geest wordt wanneer hij het ritme bereikt’. Het ritme is hier haast synoniem van de innerlijke wet van de levende dingen, die de Chinezen li hebben genoemd. Ik zeg meteen dat de betekenis van ritme hier ruimschoots de betekenis overstijgt van de cadens, de obsederende herhaling van altijd maar hetzelfde geluid. Zowel in de werkelijkheid als in een kunstwerk bezielt het ritme van binnenuit een gegeven entiteit, maar het heeft eveneens te maken met de talrijke aanwezige entiteiten. Wanneer het werk een ontketend geweld uitdrukt, ligt in het ritme kruising, verstrengeling en zelfs botsing vervat. Maar in het algemeen streeft het ritme toch naar de harmonie in de dynamische betekenis van het woord, een harmonie die bestaat uit het juiste contrapunt en de juiste resonantie. Zijn ruimtelijke tijd is beslist niet eendimensionaal. Het ritme volgt een spiraalvormige beweging die voortdurend op-en-neer springt. Zijn verticale spanning neemt steeds toe, waardoor het onverwachte vormen en verrassende echo’s teweegbrengt. In die zin heeft de ritmische adem in een kunstwerk een samenbundelende, opbouwende en eenmakende werking, en brengt hij metamorfose en transformatie met zich mee.”
Dit denken vanuit de Chinese filosofie brengt ook in de kunst een nieuw element binnen: niet het object tegenover het subject trekt de aandacht en wordt in een werk als het ware ‘vastgelegd’; het gaat ook niet om het subject van de kunstenaar. Object en subject positie zijn relatief en krijgen niet de aandacht zoals in de westerse kunstopvatting. De kunstenaar, bezield door de adem van het heelal, Adem, met een hoofdletter, deelt ons mede waar zijn ziel vol van is en dat doet hij via zijn werk. Zijn werk legt getuigenis af van zijn staan in dit geheel, deze kosmos, deze semiose van de werkelijkheid. Cheng verwijst nadrukkelijk naar de lege ruimte waar de Adem woont: “ Aangezien ik het over de Adem heb, moet ik ook het belang benadrukken van de Lege Ruimte, of liever, van de lege ruimten. Daar wordt de Adem voortdurend opgewekt en cirkelt hij rond. Deze lege ruimten kunnen groot zijn of klein, opvallend of discreet.”
Hij onderscheidt tenslotte een derde niveau, het hoogste: “de shen-yun of ‘goddelijke weerklank’. De uitdrukking slaat op de hoogste kwaliteit waarover een kunstwerk moet beschikken om als onovertroffen te worden bestempeld. Ze lijkt op het eerste gezicht moeilijk te vatten, zo abstract en vaag zijn de begrippen die ze suggereert. De Chinezen weigeren shen-yun in een te starre definitie te omschrijven. Ze gaan ervan uit dat de kwaliteit die het begrip oproept als het ware een toestand is ‘die je kunt aanvoelen, maar niet verduidelijken.”
Dat maakt het voor ons westerlingen meteen moeilijk om hier zinnig over te spreken omdat intuïtie, eerder dan ratio de hoofdrol speelt. Denk aan de mist in de berg in een landschap, of de mist over een moeras vroeg in de ochtend. Welke stemming roept dit op, wat doet dit met jou? Is hier een rationele analyse op zijn plaats, of is het eerder een ondergaan van de situatie. In die zin komt ook iets van wat ik noem de sacrale dimensie van het landschap aan het licht. Ongrijpbaar, onbenoembaar en toch ervaarbaar. En dat is volgens mij niet alleen een kwestie van taal en van betekenissen. De semiose verwijst hier, de betekenis geven een duiding, maar schieten ook tekort. Cheng probeert dit stadium te duiden en in deze duiding komt de sacraliteit expliciet ter sprake. Hij schrijft: “Ik wil niettemin een poging wagen de shen-yun zo dicht mogelijk te benaderen. De shen belichaamt de hoogste vorm van de qi, de ‘adem’, die meestal wordt vertaald door ‘de geest’ of ‘de goddelijke geest’. Net als de qi ligt de shen aan de basis van het levende heelal. In de Chinese denkwereld worden alle levensvormen door de oorspronkelijke Adem bezield. De Geest nu regelt het mentale deel, het bewuste deel van het levende heelal.” Cheng werkt dit idee verder uit – een zeer lezenswaardige tekst – die hier echter te ver voert. Van belang is dat de kunstenaar zich gedragen voelt door deze adem, deze goddelijke krachten. Cheng spreekt over verstandhouding die heerst tussen de kunstenaar en de shen. De kunstenaar kan en dient zich daarom te oefenen in ‘heiligheid’ omdat hij stem geeft aan de Adem, en zijn werk legt getuigenis af van de goddelijke weerklank. Tenslotte kan deze houding in de zen-traditie ertoe leiden dat een ervaring van illuminatie, van verlichting kan optreden waardoor de grenzen van het waarneembare als het ware voor even vervagen achter een dieper besef en ervaren. Landschappen schilderen in deze traditie is dus geen willekeurige bezigheid. Elk nieuw is daarom ook een appèl om anders te kijken, om je open te stellen voor de dimensies erachter of eronder. Hemel en aarde die je toespreken, die je bewust maken van de horizonten in je leven. Een uitdaging om een leven aan te wijden.

John Hacking

2012

geciteerd uit:
François Cheng: Over schoonheid. Vijf meditaties, Kapellen 2008 (Uitg. Pelckmans) Pag. 113-128

horizon

Galgenmaal

galgenmaal

 

Galgenmaal

De galg is uit als openbaar executie-instrument. Na de galg kwam in het Frankrijk van de Verlichting de guillotine en in de Verenigde Staten weer wat jaren later de elektrische stoel. De nazi’s grepen terug op de galg tijdens het publiek ophangen van vermeende tegenstanders of gevangenen in de kampen. Maar daar werd geen galgenmaal geserveerd. Het galgenmaal, de zelf uitgekozen maaltijd voor de executie, wordt wel nog aan de gevangenen in de dodencellen in de Verenigde Staten voorgezet voordat het eindvonnis wordt voltrokken: de doodstraf.
Daarom heeft het iets ironisch als een expositie van kunstwerken in galerie Grang De Paul Art in Den Bosch de titel “Galgenmaal” draagt met als ondertitel, “overgang naar de spirituele wereld”. In het begrip klinkt de dood al mee en wordt een stap gezet naar het naderende einde. Het galgenmaal lijkt op een gunst maar het is eigenlijk de laatste ingewilligde wens van de ter door veroordeelde die niet kost wat kost vervuld kan worden om de doodgewone reden dat een gevangeniskeuken zo zijn beperkingen heeft en de gevangenis eigen regels kent zoals een rookverbod. In de Volkskrant van 1998 verscheen een aardig artikeltje over de keuze van gevangenen voor hun galgenmaal: http://www.volkskrant.nl/politiek/hamburger-favoriet-als-galgenmaal-biefstuk-tweede~a481330/

galgenmaal

Maar waarom een expositie noemen naar dit eigenlijk sinister fenomeen? De maaltijd, een laatste maal als overgang naar een nieuwe wereld, een andere wereld dan de vertrouwde. Het laatste avondmaal van Jezus en de leerlingen was een afscheidsmaal, een ‘kruisigingsmaal’ zo u wilt. Een maaltijd die uitgroeide tot een iconisch gebeuren dat in elke eucharistie plechtig en symbolisch wordt herhaald door de priester en de gelovigen. Tot op de dag van vandaag verwijzend naar lijden en dood van Jezus van Nazareth wachtend en verwachtend de opstanding van de doden, totdat hij wederkeert. In dit maal zit dus hoop opgesloten, een verwachting dat de angel van de dood voorgoed zal zijn uitgetrokken, de dood niet meer zal zijn. Maar zover is het nog niet.
Ik doe mee aan deze expositie met vier landschappen die alle vier over de horizon gaan in het leven. Drie ervan hebben de rivier de Geul (een idyllische plek tussen Stokhem en Schin op Geul) als uitgangspunt en eentje het bijna rijpe koren op de Dode Man, een heuvel in hetzelfde Stokhem, (Gemeente Gulpen-Wijlre), de plek waar mijn moeder opgroeide en waar ik als kind veelvuldig kwam. In deze afbeeldingen ligt mijn hele jeugd besloten. Maar ook een zekere spanning, een doodsdreiging, een overgangsgebied. Zoals het doopwater en de doop zelf een overwinning op de dood is, zo is de rivier een plek van doodgaan en sterven door de verdrinkingsdood. Leven en dood komen bij elkaar in het symbool van het water. Zoals het graan geoogst gaat worden, de graankorrel sterft om nieuw brood te worden, zo zijn water en brood, symbolen voor onze aardse ballingschap, dit land van tranen zoals zo prachtig wordt uitgedrukt in de liedtekst van Salve Regina, vertolkt door zangers op muziek van Arvo Pärt: “ Tot u roepen wij, ballingen, kinderen van Eva; tot u smeken wij, zuchtend en wenend in dit dal van tranen.”

horizon

Toen ik nadacht over het laatste avondmaal en de overgang naar de spirituele wereld kwam ik ook uit bij andere afbeeldingen die ik heb gemaakt rond dit thema zonder dat ik hier heel expliciet bij stil heb gestaan. De spirituele wereld is in mijn ogen namelijk vooral ook een kwestie van gezichtspunt. Objectief is er een wereld, “De wereld is alles wat het geval is” zo Wittgenstein, maar de wijze waarop wij tegen deze wereld aankijken kan heel divers zijn en getuigt van heel veel mogelijkheden. Dat onze kijk erop dan ook meteen een bewijs zou zijn voor de existentie ervan blijft donker want dat weet ik niet. Dat kan ik ook niet bewijzen. De wereld van geesten en engelen, de werelden buiten of binnen onze waargenomen realiteit en geduide werkelijkheid is er ook een uit boeken en uit verslagen van mystiek ervaringen. Het Tibetaanse dodenboek bevat een heel ritueel om deze wereld tegemoet te treden na je dood. Maar het laat ook zien dat het uiteindelijk allemaal illusie is, maya, schijn en zolang het subject hierin gelooft zal het steeds opnieuw wedergeboren worden in een aardse en sterfelijk lichaam. Ik vind dat wel een mooie duiding, maar wat als de illusie wordt doorgeprikt en als het subject (wat er dan eigenlijk ook niet is) verlicht of bevrijd wordt? Wat is er dan nog? Niets? Een niets? Een verdampte illusie? Een volslagen los verband van atomen en moleculen die al snel weer opgaan in andere verbanden? En geldt dit lot ook voor het bewustzijn? Is er een eenheid in het bewustzijn, iets dat na de dood misschien behouden zal blijven? Ik durf het niet te zeggen want ik weet het niet en stelligheid is al helemaal niet op zijn plaats in deze context.

In de wereld van de kunstenaars die geïnspireerd zijn door hun Afrikaanse wortels, iets wat ook doorgaat onder de naam voodoo, kom je vaker afbeeldingen tegen van een andere kijk op de werkelijkheid: een blik op de wereld waarin geesten en wezens van aan gene zijde van de dood vanzelfsprekend zijn. Ook hier heb ik geen oordeel over maar ik vind het wel fascinerend hoe kunstenaars als een soort van sjamanen te werk gaan en zich laten leiden door deze gedachtenwereld over goden en demonen. Een van mijn favorieten is Santiago Rodriguez Olazabal en werk van hem is aangekocht door het Afrika Museum in Berg en Dal. Hij verbeeldt ook de (magische) rituelen in contact met een andere vorm van werkelijkheid. Christelijke symbolen en Afrikaanse beelden lopen door elkaar heen – de kracht van de geest(en) en de omgang met deze werkelijkheid komen in grote schilderijen tot uitdrukking, zoals in het fragment uit ‘iré otónówa’ dat ik heb gebruikt als uitgangspunt voor een eigen werkje. Het doet mij denken aan de neerdaling van de H.Geest na de doop in de Jordaan – of aan de kracht van het zien van de andere werkelijkheid doormiddel van de vogels, de roofvogel, de adelaar, uitgedrukt in talrijke mythes. Het is een vorm van kijken met de raven (Noorse Mythologie), of met andere vogels (Afrika) naar de realiteit. De ogen worden als het ware hierdoor geopend voor deze dimensie van de werkelijkheid.

Maar er is ook nog een andere kunstenaar uit de collectie van het Afrika Museum die uitgangspunt vormde voor een klein landschapje met deze thematiek: Frantz Augustin Zéphirin, Het laatste avondmaal. Een foto van dit schilderij hangt als het ware in de lucht boven een donker landschap, een visioen? Een vingerwijzing, een galgenmaal, een kruisigingsmaal, waarbij de doden aanwezig zijn en op de achtergrond meedoen als donkere gestalten en waar het kwade kronkelt in de gedaante van slangen rond de poten van de tafel. Hoop en vernietiging komen hier bij elkaar, dood en leven in een beeld gevangen. Die laatsten zitten in mijn versie onder de verf verborgen want ze verstoren het visioen maar in het oorspronkelijke werk van de kunstenaar zijn ze volop aanwezig. Eigenlijk is de foto dus een citaat, net als de foto van het detail uit het werk van Olazabal. Ik citeer beiden kunstenaars als vingerwijzing naar een andere werkelijkheid en omgang met deze werkelijkheid. Mijn visie en mijn kijk is een beperkte, mijn toegang tot de werkelijkheid is er slechts een, gekleurd door mijn persoonlijke ervaring en beleven. Maar een expositie die uitdaagt tot een nadere verkenning van deze visies op de werkelijkheid kan in mijn ogen niet lang genoeg duren.

John Hacking
24 juni 2015 (Feestdag van Johannes de Doper)

Santiago Rodriguez Olazabal, iré otónówa, gem. techniek op papier 1998, 178×90 cm Afrika Museum Berg en Dal
Frantz Augustin Zéphirin, Het laatste avondmaal, acryl op doek, 2001, 76×101 cm Afrika Museum Berg en Dal

galgenmaal

Grote thema’s

Thema

Grote thema’s verleiden tot kunst. Schilders, (e.a.) kunstenaars, zijn er door beïnvloed en worden er door geïnspireerd. Thema’s geven richting en structuur aan de expressieve uitdrukking. Velen worden hierdoor aangesproken en herkennen zichzelf of hun leven in de verbeelde thematiek. De kunstenaar Julian Schnabel (1951) sluit hierbij aan. Hij kijkt in een korte film terug op zijn oeuvre en vertelt waar hij mee bezig is. Veelal zijn dat reacties op wat bestaat: het is meer reageren dan ageren: “als apen in een laboratorium”. Pas bij het zien in een retrospectief wordt duidelijk wat je aan het doen bent, zegt hij. En dat geeft weer perspectief en focus. Schilderen heeft voor hem te vooral doen met vrijheid en met de grote thema’s van leven en dood. Dat geeft hem veel vreugde. In een video waarin hijzelf en zijn werk wordt getoond wordt dat duidelijk. Het is een zoekend aftasten van vormen op bestaande afbeeldingen die als compositiedoek worden gebruikt. Verf en kleur worden ingezet om iets te verbeelden wat uit het schilderij moet ontstaan. De relatie met het thema “leven en dood” wordt in mijn ogen echter niet meteen zichtbaar. Maar dat is begrijpelijk als je enkel naar een video kijkt van een paar minuten die slechts sfeerbeelden geeft. De echte confrontatie met zijn werk in het licht van deze thema’s blijft uit. Misschien moet je daarom er echt voor gaan staan en kijken wat dan gebeurt. Maar dat is vanuit Nederland een beetje lastig achter te computerscherm.

bingen
In mijn eigen werk als landschapschilder speelt vooral het thema van de horizon in het licht van de mogelijkheid van een transcendente werkelijkheid de belangrijkste rol. Is deze werkelijkheid waarin we leven ook sacraal? Raken hemel en aarde aan elkaar als een vorm van transcendentale bevestiging van het mysterieuze karakter van onze werkelijkheid? Een werkelijkheid die ook nooit volledig te duiden is. Er blijft een niet duidbare rest over, een deel dat niet en door niets begrepen kan worden. Precies dit proberen weer te geven, een onmogelijke opgave om dit figuratief te doen, als duiding, als aanwijzing, als semiotisch teken is mijn opdracht. Op het eerste gezicht lijkt het thema van de horizon en de sacraliteit niet zo lastig maar net als het begrip bewustzijn, het begrip werkelijkheid en het begrip God zijn deze thema’s onuitputtelijk en niet met de menselijke ratio in te kaderen. Ze overstijgen ons begripsvermogen en ons verstaan van de werkelijkheid omdat we gebonden zijn aan ons lichaam. Ons lichaam kleurt niet alleen onze waarneming en onze reflectiemogelijkheden maar het legt ons ook vast op ons lichamelijk (en materieel) bestaan. Hoewel we in de geschiedenis de ziel hebben bedacht – alsof daar dan wel sacraliteit zichtbaar kan worden – voert ons deze uitvinding niet verder want ook de ziel deelt in die onuitputtelijkheid en onverklaarbaarheid. Voor degenen die menen dat het hier allemaal hersenspinsels betreft kan ik slechts melden dat dan ook het begrip liefde, trouw, aandacht, toewijding en overgave geen bestaansrecht meer hebben want die zijn ook niet vast te leggen door onweerlegbare bewijzen.
Hoe keert het thema van de horizon en de sacraliteit nou terug in mijn werk en hoe vindt de confrontatie plaats? Door de compositie en door de streek van de penselen, door de letterlijke verbeelding van of het ontbreken van de horizon. De horizon is er altijd op de achtergrond ook al is het werk abstract. De horizon is er ook in de scheiding van de kleuren, de vloeiende lijnen en zelf erin gelegde vergezichten. De horizon is de “Dritte im Bunde”, soms zichtbaar, soms zelf erin gelegd, soms als semiotisch teken geduid in de kleurovergangen. Sacraliteit wordt niet bewezen maar getoond, dat wil zeggen, het patroon, de vorm, de kleuren geven een indruk maar zijn zo abstract en veelzijdig dat je ze niet op een omvattende manier kunt omschrijven. Ze onttrekken zich daaraan, zoals de sacraliteit in het landschap zich onttrekt aan het bewijs. Avond- en ochtendlicht maken dit in het landschap extra duidelijk, het lijkt alsof de wereld een beetje betovering ondergaat. Ik noem dat een semiotisch teken, een verwijzing naar de sacrale dimensie ervan. Het is ook een kwestie van ondergaan, van beleven, van beschouwen. Niet van redeneren en bewijzen, niet van aantonen en bereflecteren als uitkomt van een logische verklaring. Het bewijs is overbodig, de beleving is genoeg. De reconstructie is altijd maar een reconstructie, een bij benadering, niet in woorden te vatten ervaring. De confrontatie met het landschap, de beleving ervan, en de sacrale duiding, keren in mijn werk terug als optie, als mogelijkheid, als houding in het schilderen zelf. De onbevangenheid, het aftasten, het intuïtieve, het handelen zonder denken, schilderen zonder vooropgezet plan, het laten ontstaan, het zijn allemaal wijzen van de doorwerking van de confrontatie en de beleving ervan in het reële landschap. Het werk ontstaat, het wordt niet gemaakt, niet gemanipuleerd tot een verzameling effecten. Wat tot uitdrukking komt ligt er als het ware al in: het moet alleen ontsloten worden, zoals de leegte de mogelijkheid van schepping ontsluit. Hoe die er dan uit ziet is ook een kwestie van wat je toevalt, wat er zomaar gebeurt. Dat heet scheppend bezig zijn. Daarbij voel ik me thuis. Dat is mijn wereld.
Naar aanleiding van: Julian Schnabel: In The Course of Seven Days
A Rare Look Inside the Artist’s Home Studio as He Opens His First US Museum Show Since the 1980s op http://www.nowness.com (15 April 2014)

John Hacking
2014

thema