Kunst als toegang tot een sacrale dimensie van de werkelijkheid?

Kunst als toegang tot een sacrale dimensie van de werkelijkheid?

Jede Epoche geht mit einer Gestalt des Göttlichen einher, die sich, jedes Mal aufs Neue, in einem Idol festmacht.

 Jean-Luc Marion

Een kunstwerk dat de bedoeling heeft om het goddelijke of iets van het goddelijke te verbeelden loopt het gevaar om een idool te worden. Is dat erg? Wordt het goddelijke daarmee als het ware tekort gedaan? Het beeld als afgodsbeeld? Iets waar een duidelijk verbod op rust vanuit de schrift. Zijn de afbeeldingen van Maria met kind en de andere veelsoortige verbeeldingen van de heiligen afgodsbeelden? Zijn het idolen? Soms lijkt dat er wel op: plaatsen met bijvoorbeeld zwarte madonna’s die miljoenen pelgrims aantrekken, en de lichtere variant van Maria in Lourdes, Fatima, Den Bosch en in elke kerk waar een Mariabeeld staat met kaarsenstandaard en gebedenboek. Maar wordt een beeld, een afbeelding vereerd, aanbeden, als godheid behandeld of is het beeld een verwijzing naar een werkelijkheid die hier achter schuil gaat: de persoon van Maria zelf die wij hebben leren kennen uit de verhalen over haar. En nog iets meer afgeleid hiervan, de vaak wonderbaarlijke gebeurtenissen, die worden verteld en die samenhangen met de vondst en verering van een beeld(je) of prent van Maria. Wat vindt hier plaats? Wat gebeurt hier werkelijk? Vanuit een protestantse kijk op de zaak lijkt het al gauw dat het bijbelse verbod van de afbeelding van het goddelijke met voeten wordt getreden. Het is ook verdomd lastig om de verleiding te weerstaan om bijbelse verhalen niet op de een of andere wijze in beeld te brengen – er beelden van te ontwerpen. Want de woorden, de verhalen blijven beter hangen als ze gekoppeld worden aan een beeld – als ze worden verbeeld in bijvoorbeeld een schilderij, prent of beeld. Het is de vrijheid van de kunstenaar om de opgedane ervaringen met dit verhaal en de emoties die hij daarbij ervaart, uit te beelden. Verwezen de reusachtige standbeelden in de Griekse en Romeinse tempels direct naar een god, in het christendom heeft men op bijbelse gronden nooit een poging ondernomen om het beeld een goddelijke status toe te kennen. Het gaat niet om het beeld of de verbeelding, maar om de werkelijkheid daarachter. Maar wat is dat dan voor een werkelijkheid? Is het slechts een duiding van de sacrale krachten, de werking van de goddelijke personen in of achter de werkelijkheid? Bidden tot Maria, tot Jezus, tot God, of tot een heilige om iets te verkrijgen, om te worden verhoord, gehoord? Hopen dat het gebed ergens aan raakt, binnenkomt, wordt gehoord en misschien ook nog vervuld? Hier stuiten we duidelijk op een grens. We zijn niet echt in staat om ons een voorstelling te maken van dit sacrale of goddelijke fenomeen waartoe wij bidden, want elke voorstelling is eigenlijk al idolatrie. Elk beeld schiet tekort en de verabsolutering van de waarheid van een dergelijk beeld is niet meer en niet minder afgodendienst. Daarom misschien is het concrete beeld voor velen dan ook genoeg, neemt men genoegen met bijvoorbeeld het Mariabeeld dat in de kerk staat opgesteld. Dan heb je in ieder geval wat om te gebeden aan op te dragen – niet aan het beeld maar aan de verbeelde werkelijkheid van Maria daarachter. Hebben de protestantse beeldenstormers in hun furie dit niet goed begrepen toen zij kerk na kerk van hun beelden hebben ontdaan? Waren ze zo hardnekkig ervan overtuigd dat de katholieken beelden vereerden in plaats van de werkelijkheid van het goddelijke waar deze beelden naar verwijzen? Kortom hebben ze niet genoeg nagedacht voordat zij kunstwerken van eeuwen zomaar op de brandstapel hebben gegooid in hun furieuze ijver?

Jean-Luc Marion, een Franse filosoof heeft een boeiend boek geschreven met de titel ‘God zonder zijn’ – een filosofische analyse van ons beeld van God en onze opvattingen over God in relatie tot de verbeelding van het goddelijke. Het begrip idool en idolatrie staat centraal in zijn denken en hij laat zien dat het idool ook anders kan worden benaderd dan alleen maar vanuit een negatieve gepreoccupeerde houding. Hij schrijft:

“Die Gestalt des Idols abzubilden, läuft dies nicht darauf hinaus, die Karikatur, die es angeblich vom Göttlichen liefert, nur wieder auf es selbst anzuwenden? Doch das Idol hat genau genommen gar nichts Verzerrendes, Täuschendes oder Trügerisches an sich. Es zeigt nur das, was es sieht. Dass das eidōlon in direkter Weise durch das *eidō eingesetzt und an dieses gebunden ist, gibt uns nicht nur einen Hinweis auf eine neutrale und belanglose etymologische Tatsache, sondern spiegelt uns auch sehr genau ein grundlegendes Paradox wider. Das Idol zeigt das, was es sieht. Es zeigt das, was tatsächlich den Raum des Sichtbaren einnimmt, ohne irgendeine Betrügerei oder Täuschung, aber was diesen zugleich auch nur ausgehend vom Sehen selbst besetzt. Das Idol liefert dem Sehen das Bild dessen, was es sieht.“ (Jean-Luc Marion, Gott ohne Sein, Paderborn, München, Wien, Zürich 2014 (Ferdinand Schöning) p. 50)

Het idool laat zien wat het is. Het levert de waarneming van de toeschouwer precies wat hij ziet: een beeld. Het idool werpt de toeschouwer terug op zichzelf. Het idool vormt zo volgens Marion een soort van spiegel waarin de mens zichzelf ziet als maker van dit beeld en als betekenisgever die voor het tot stand komen van dit beeld en het gebruik ervan gezorgd heeft. Het idool is niet goddelijk. Wij zijn inmiddels geen mensen meer die naar een tempel gaan om reusachtige afgodsbeelden te vereren. Wij zijn ons bewust van het feit dat idolatrie verboden is en dat het nergens toe leidt. “We zijn niet gek”. Het idool is niet zelf een verbeelding van God zelf of het goddelijke maar een poging om zich een idee te vormen van God en het goddelijke. Wat is een idee? Ik vermoed dat de uitspraak “ik heb er geen idee van” nog het dichtst in de buurt komt: “Ahnung” in het Duits, een vermoeden, een intuïtie die op kunstzinnige wijze gestalte krijgt in een object. Het is een verbeelding van het proces en het eindresultaat van het denken van de beschouwer, de kunstenaar, degene die het idool schept. Het product, het eindresultaat ligt helemaal aan deze zijde van het bestaan en heeft géén voet in de sacrale werkelijkheid. Het is geen object als onderdeel van een ritueel in Voudou/Voodoo waarbij ingezet wordt op een effect via de werkzame krachten van de aangeroepen goden. Als je het idool goddelijk maakt, goddelijke eigenschappen toekent zegt dat meer over jezelf dan over het beeld. De bijbelse Profeet Jesaja kan daar prachtig cynisch over spreken als hij deze houten beeltenissen en beelden van aardewerk belachelijk maakt en daarmee de makers en de aanbidders. Het idool markeert dus een grens, het maakt een grens zichtbaar die niet kan worden overschreden, het goddelijke en de goddelijke werkelijkheid – hoe die dan ook gestalte mogen krijgen – worden absoluut buitengesloten. Het idool is een soort van grenspost. Tot hier en niet verder. De blik op wat daarachter ligt is verhinderd. Het idool kaatst terug, het is een spiegel waarin de grensganger kijkt en niet verder kan. Hij ziet zichzelf.

Marion zet vervolgens een tweede stap en beschrijft ook hoe onze begrippen in bijvoorbeeld de metafysica van God een vorm van idolatrie kunnen worden als wij God vastpinnen op eigenschappen of op een beschrijving (denk aan Aristoteles, de onbewogen beweger, God als de oorzaak van zichzelf etc.). Tegen de achtergrond van “de dood van God” bij Friedrich Nietzsche en de filosofie van het zijn van Martin Heidegger laat hij zien dat ook ‘het zijn’ een soort van projectiescherm kan worden waarop wij God proberen af te beelden. Ook dat is tot mislukken gedoemd. Marion verwijst naar Exodus 3,14 waar God zijn naam bekend maakt en waarin eigenlijk niets gezegd wordt over God in zake zijn identiteit: “Was auch die biblische Offenbarung, auf ihre Weise, zu bestätigen oder zumindest anzudeuten scheint, wenn sie das unter demselben Namen zum Ausdruck bringt, was man als Sum qui sum verstehen kann (aber nicht verstehen muss), also Gott als Sein, und was man zugleich, im selben Augenblick, als eine Verneinung jeder Identität verstehen muss – ,,Ich bin, der ich bin”. Das Sein sagt nichts über Gott, was Gott nicht zugleich zurückweisen kann. Das Sein, sogar und vor allem in Exodus 3,14, sagt nichts über Gott; oder nichts über ihn, was ihn bestimmen würde.“ De conclusie luidt: God laat zich niet denken. Ons begrippenapparaat geeft ons geen waarheid in handen omtrent God, onze taal schiet te kort en ons denken is niet in staat om God te vatten. Het klopt dat Exodus 3,14 niet over de identiteit gaat van God. Maar ook de tegenwoordige tijd van de uitdrukking in de naam van God is niet zonder meer evident. In tegenstelling tot veel theologen leest de Franse rabbijn en filosoof Marc Alain Ouaknin het vers uit Exodus 3,14 in een andere tijdsvorm, ik citeer: “God legt uit wat hij van Mozes verwacht: dat hij het volk van de Hebreeërs zou bevrijden uit hun slavernij in Egypte. En Mozes antwoordt dat de Hebreeërs hem zullen vragen: ‘Wat is zijn naam?’, ‘Wat is de naam van die god die jou naar ons stuurt?’ En God antwoordt: ‘Je zult hen zeggen dat ik Ehejeh asjer ehejeh heet’, letterlijk ‘ik zal zijn wat ik zal zijn’, wat heel wat vertalingen weergeven door ‘ik ben hij die is’, een onmogelijke vertaling, zoals ik al zei, omdat het werkwoord ‘zijn’ in feite in het Hebreeuws niet bestaat in de tegenwoordige tijd, uitgezonderd die ene keer in Exodus 9:3. Het koppelen van de eerste ‘ik zal zijn’ met de tweede ‘ik zal zijn’ gebeurt door het ‘betrekkelijk voornaamwoord’ (asjer) dat ook ‘geluk’ betekent (osjer)!”

Ouaknin zet hiermee een in de ogen van christelijke theologen een gedurfde stap. Door de verwisseling van klinkers wordt asjer osjer. Wat = geluk. Velen zullen dit misschien als een vorm van ‘heiligschennis’ beschouwen om de tekst zo aan te passen maar in de Joodse rabbijnse traditie is het een geaccepteerde wijze van tekst verklaren en van betekenissen onderzoeken op basis van verwisseling van klinkers. Maar dit terzijde. Veel belangrijker is de dimensie die ten aanzien van God en zijn werken zo aan het licht komt: ruimte in de tijd, ruimte in het begrijpen, ruimte in het verstaan van God en de goddelijke werkelijkheid. Ouaknin schrijft: “De naam van God kan geen ‘ik ben’ zijn, maar enkel een ‘ik zal zijn’, de spanning van een project, een zich inschrijven in de dynamiek van een toekomst die zich opent, ‘daarginds’ (sjam), een woord dat ook naam’ (sjem) betekent en ‘hemel’, die men in het Hebreeuws uitdrukt als ‘twee daargindsen’ (sjamaj’im)!

God is geluk, niet omdat hij God is, maar omdat hij het werkwoord zijn is in zijn toekomstige modaliteit, en ons naar analogie inschrijft in het engagement, project en toekomstproject!

Wat de Bijbeltekst in een schitterende semantische vergelijking weergeeft. Het ‘geluk’, osjer, is het hart van de uitdrukking ‘Ehejeh asjer ehejeh’, die men zo kan openvouwen in een dubbele formulering die de gelijkstelling verduidelijkt tussen het werkwoord ‘zijn’ in de toekomst en ‘het geluk’.”

 

In de naam van God worden wij ingeschreven, onze existentie en onze toekomst komen erin tot uitdrukking als mogelijkheid, een kans die God zelf in onze handen legt. Dat is eigenlijk openbaring in optima forma. Niet het vastleggen van God op een betekenis, niet je hoop vestigen op een waarheid die vastligt, die grijpbaar en verdedigbaar is, maar het aangaan van een reis, het starten van een project in de Naam van God wordt hier aangekondigd. Zoals de bevrijding uit het land van slavernij, de doortocht door de zee op weg naar de woestijn, zo is de reis met God, weg uit de vastomlijnde betekenissen die als een gevangenis kunnen werken. De algemeenheden, de waarheden waarmee de religieuze leiders hun volgelingen om de oren slaan. Misschien is het wel de taak van de kunstenaar om deze projecten, deze vorm van reizen, deze open toekomst uit te beelden en vorm te geven in een kunstwerk. Een vingerwijzing naar het sacrale dat uitloopt op ons geluk, op mijn en jouw geluk. Een landschap waarin het goed dwalen, waarin het goed toeven is, omdat God wenkt, omdat de reis zelf de vervulling is van zijn naam. Een reis die je niet in je eentje maakt. Een reis die de kunstenaar vervoert en inspireert om zijn ervaringen uit te drukken. Dat is misschien ook wat uiteindelijk op het spel staat bij elk gebed: geluk! Vervulling van de belofte om iets van het geluk te mogen ervaren in dit leven. Kunst als vorm van bidden, een eigentijds en telkens weer anders gebed.

 

John Hacking

29 september 2017

Citaten uit:

  • Jean-Luc Marion, Gott ohne Sein, Paderborn, München, Wien, Zürich 2014 (Ferdinand Schöning)
  • Ouaknin, Marc-Alain, ¿, God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)

sacrale dimensie

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

 

Geef een reactie