Horizon en hemel en aarde in mijn werk

sacraliteit

Poussière tu m’émeus aux larmes
Stof je roert me tot tranen.

René Char, uit: Dépendance de l ‘adieu, uit : Draussen die Nacht wird regiert, p. 14

Twee thema’s, die in mijn werk samenhangen, en die te onderscheiden maar voor mij niet te scheiden, zijn: de horizon en ‘hemel en aarde’. De horizon is de denkbeeldige lijn tussen hemel en aarde en de letterlijke scheiding tussen de aarde en wat daarboven komt. Voor het gemak noem ik de lucht hemel en de bodem daaronder aarde. Hemel en aarde zijn eigenlijk constructies, begrippen die voor een ‘wereld staan’, “für eine Welt” zou Heidegger zeggen. Dat betekent dat de begrippen hemel en aarde niet waardevrij zijn, geen echte empirische grootheden, maar een aanduiding van de werkelijkheid die op een heel eigen wijze geladen is met betekenis. In deze begrippen klinkt de historie van de mensheid mee, de concrete en de ideeëngeschiedenis, het falen en mislukken en het behalen van overwinningen. Kortom het zijn begrippen waarmee de historie van de mensen en de religieuze geschiedenis van de mensheid aan het woord komt. Vandaar dat zij een grote aantrekkingskracht op mij uitoefenen en daarin sta ik niet alleen. Velen zijn mij voorgegaan en velen zullen mij nog volgen. Om met Kiefer te spreken, de aura van deze begrippen inspireert en zet aan tot schilderen.
De horizon is de verbindingslijn, het punt waar hemel en aarde bij elkaar komen en elkaar raken. Zonder die horizon geen scheiding maar ook geen hemel en aarde. Dan is het of het een of het ander. De horizon fascineert mij in hoge mate omdat het kijken naar de horizon en de bepaling van de horizon in de letterlijke en geestelijke zin van het woord ruimte geeft. De horizon ligt niet bij voorbaat vast. De horizon wil ontdekt worden, wil gevonden worden en dat is het mooie ervan hij verandert, hij verschuift voortdurend. Telkens als wij van plaats verwisselen schuift de horizon op, komt hij dichterbij of verdwijnt hij in de verte. De horizon is een vreemd fenomeen, gebonden aan onze waarneming leidt hij wel en geen eigenstandig leven. De horizon is in mijn ogen de bondgenoot van de mens omdat hij staat voor wat de mens kan bereiken en waarnaar hij kan verlangen. Als bondgenoot maakt hij dat voortdurend zichtbaar. De mens die de horizon niet opmerkt verkeert in een staat van blindheid, van desoriëntatie, van vertwijfeling zo je wilt. Want er zijn geen aanknopingspunten voor een oriëntatie, het leven is een zoeken en dolen, zonder begin en zonder einde. De weg is nooit een chaos, of een samenloop van toevalligheden. De weg begint altijd onder je voeten, daar waar je staat en waar je vandaan komt en naar toe gaat. Je oriënteren op de grond onder je voeten, of de hemel boven je hoofd zonder horizon is een zinloze bezigheid want er is geen overzicht, dat wil zeggen geen verleden en geen toekomst, geen gisteren en geen morgen. Het komt overeen met de rust in de kist – de doodsslaap, niets hoeft meer. De horizon is dus in deze zin levensnoodzaak, aanzet en bemoediging.
Met deze ietwat metaforische beschrijving heb ik proberen aan te duiden wat mij drijft in het gedreven schilderen van de horizon tussen hemel en aarde. Op elk werk komt deze horizon op de een of andere wijze terug. Soms prominent, soms verborgen op de achtergrond.
De hemel en aarde vormen een soort tegenhanger van elkaar, getrouw aan het principe dat de aardse realiteit een kopie heeft in de hemel. Niet letterlijk maar metaforisch. Hemel en aarde spiegelen zich daarom vaak in elkaar, zij vormen als het ware geen tegenstellingen die elkaar opheffen, maar zij vullen elkaar aan, vervolmaken elkaar en geven accenten waardoor de ander tot zijn recht komt. In mijn werk probeer ik dat te bereiken door de kleur, de wolkenpartijen in een blauwe hemel, de lagen boven elkaar op de aarde en in de hemel, en door de accentuering van de horizon. Oudere lagen staan vaak voor de werkelijkheid die onder de werkelijkheid van hemel en aarde verborgen zit, een soort sacraliteit van het landschap dat nauwelijks is zichtbaar te maken. Sacraal wil hier zeggen, apart gezet, afgescheiden van de rest, opvallend anders, een ander patroon en andere kleuren. Niet opvallend, maar bescheiden, haast onzichtbaar, timide, zich niet opdringend. Pas als je er oog voor hebt en let op de structuren van de verf, het schilderij, de compositie gaat het opvallen. Het materiaal van de verf en de ondergrond vormt het omhulsel waarbinnen het landschap zich presenteert. En het presenteert zich op een bijzondere wijze, dat is niet alledaags, niet vertrouwd, niet een kopie van het zichtbare en bekende. Dat is ook niet belangrijk, om het zichtbare te kopiëren, want wie is hiermee gediend? Dat is niet mijn streven, niet mijn doel. Mij gaat het erom om de horizon te doen oplichten, de relatie tussen hemel en aarde te verdiepen en de dubbele gelaagdheid van de werkelijkheid die volgens mij ook een sacrale dimensie heeft te voorschijn te halen.
De techniek is hierbij hulpmiddel: verf gemaakt van pigmenten en gebonden met water en verschillende bindmiddelen die invloed op elkaar uitoefenen zodat ook het toeval een grote rol speelt bij de totstandkoming van een werk. Uitgangspunt is vaak een concreet landschap dat in de vorm van een foto wordt toegevoegd en waaromheen ik dan een nieuw landschap schilder. Maar dat laatste hoeft niet, vaak is de verf zelf het uitgangspunt en begin ik met het maken van verf en het trekken van een paar lijnen op een vel papier: dan ontstaat vanzelf een landschap, zonder bijbedoeling, zonder opzet en zonder compositie in mijn hoofd. In feite ben ik nog steeds de verf en de penseelstreek aan het verkennen en doe dat vanuit het thema landschap met een accent op de horizon. Schilderen is dus in de traditie van de oude sumi-techniek het maken van het grote gebaar. Van binnen uit. De arm doet het werk. Het hoofd komt hoogstens achteraan om als het werk klaar is een kleine bijdrage te leveren in de vorm van een betekenis. Een mogelijke betekenis. Maar eigenlijk is dat niet meer interessant voor het schilderen zelf.

Le poète est l’homme de la stabilité unilatérale.
Le poète ne s’irrite pas de l’extinction hideuse de la mort, mais confiant en son toucher particulier transformer toute chose en laines prolongées.
De dichter is de man van eenzijdige stabiliteit.
De dichter maakt zich niet kwaad over de afschuwelijke verdwijning in de dood, maar vol vertrouwen op zijn eigen bijzondere tastzin, verandert hij alles in langgerekte wol.

René Char, Uit: Partage Formel, uit: Draussen die Nacht wird regiert, p. 36

Bijlage uit: God in het landschap. Zoektocht naar  een horizon. Een semiotische analyse  van het landschapsschilderij  als religieuze heterotopie – 2006

Hier te downloaden: http://www.canandanann.nl/essays/

schilderen

Geef een reactie