Books

Little books with poems and paintings: El Fulgor, Rails, Snow

download of read them by clicking on the titles and then the books….

El fulgor paintings

Illustrations by 10 Poems of
José Angel Valente

El fulgor (1984)

number:
I, VII, VIII, XII, XV, XXV, XXVIII, XXX, XXXV, XXXVI

pigments, ink, sumi-e, pastel on paper
2016, 50×70 cm

El fulgor paintings new

Illustration of 36 Poems of
José Angel Valente

El fulgor (1984)

pigments, ink, sumi-e, pastel on paper
March 2017, 48×36 cm

Rails

18 collages – rails – stations with 18 poems

pigment, ink, sumi-e on paper

2017, 30×40 cm

snow
5 collages – snow-landscape Limburg with 5 poems

pigment, ink, sumi-e on paper

2017, 30×40 cm

 

landschapslicht

Landscapes and poems

6 collages and two paintings – and poems

pigment, sumi-e on paper

2017, 30×40 cm

rails

Ícaro

Sobre la horizontal del laberinto
trazaste el eje de la altura
y la profundidad.
Caer fue sólo
la ascensión a lo hondo.

Icarus

Op de horizontale lijn van het labyrint
tekende je de as van de hoogte
en de diepte.
Vallen was alleen maar
het opstijgen naar de diepte.

(vertaling G. Droogenbroodt)

Escribir es como la segregación des las resinas; no es acto, sino lenta formación natural. Musgo, humedad, arcillas, limo, fenómenos del fondo, y no del sueño o de los sueños, sino de los barros oscuros donde las figuras de los sueños fermentan. Escribir no es hacer sino aposentarse, estar.

Schrijven is als de afscheiding van het hars; het is geen handeling, maar trage natuurlijke ontwikkeling. Mos, vocht, klei, slib, verschijnselen van de bodem, en niet van de slaap of vande dromen, maar van de donkere leemaarde waar de gestalten van de dromen gisten. Schrijven is niet maken, maar onderkomen vinden, vertoeven.

(vertaling G. Droogenbroodt)

La lentitud de la destrucción,
sus prolongados hilos húmedos,
el odio con retráctiles
pupilas amarillas,
la corrupción de la memoria y las figuras
revestidas de cera muerta en los salones
de derrumbaba cal.

Tanteas, tocas, palpas ciegos
los residuos de ti.

Sombrío cae el año hacia su muerte,
las conmemoraciones del difunto, el ácido
reclamo de la noche.
Imágenes
de imágenes.
Qué queda en los espejos,
en los largos pasillos naufragados,
en el recinto pálido del aire,
en el testimonio del testigo de quién.

Resuenan victoriosos los timbales
sobre las sumergidas formas rotas,
el viento y sus cenizas.
Desaparición.

De traagheid van de aftakeling,
haar vochtige uitgesponnen draden,
de haat met intrekbare
gele pupillen,
het verval van het geheugen en de gedaanten
bedekt met dode was in de salons
van neergevallen kalk.

Je tast, raakt aan, betast als een blinde
de overblijfsels van jezelf.

Droefgeestig valt het jaar naar zijn dood,
de herdenkingen van de overledene, de wrange
lokroep van de nacht.
Beelden
van beelden.
Wat blijft er in de spiegels achter,
in de lange verdronken gangen,
in de vale ruimte van de lucht,
in de getuigenis van de getuige van wie.

Triomfantelijk weerklinken de pauken
boven de verzonken, gebroken gedaanten,
de winden zijn as,.
Verwijding.

(vertaling G. Droogenbroodt)

 

Se daban
las condiciones perfectas para morir.

De lo más próximo nacía
lacerante la ausencia.

Tendida estaba entre los dos la muerte
como animal tardío de ojos grandes
y anegadas ternuras, madre
ciega madre inmortal.

Mi rostro era su máscara,
mi voz su voz.

No hay llanto en las perdidas alamedas.

Postreros pájaros borrados
en la declinación oscura de la luz.
Verleend waren
de volmaakte omstandigheden om te sterven.

Uit de dichtste nabijheid
groeide grievend het gemis.

Tussen beiden uitgestrekt lag de dood
als een achterlijk dier met grote ogen
en gesmoorde tederheid, moeder,
blinde onsterfelijke moeder.

Mijn gelaat was haar masker,
mijn stem haar stem.

Er is geen weeklacht in de verloren populieren.

De laatste vogels uitgewist
in de duistere teloorgang van het licht.

(vertaling G. Droogenbroodt)

En medio de la lenta corrupción de los días, del paso oscuro de las horas como hojas caídas a mitad de la noche, entre el espasmos gris de las salivas, húmeda, discurres por tu cuerpo como incierto navío, no sabes dónde hallarte ni cuál el el final ni qué comienzo al término de ti te llevaría y sueñas, desde tu propio sueño te prolongas hacia el último vestigio ciego azul del aire y en él, al fin, te entregas, te sumerges, gimes en sus vencidos pabellones.
Temidden van de trage teloorgang der dagen, van het obscure schrijden der uren als bladeren gevallen in het holst van de nacht, tussen het grijze spasme van het speeksel, vochtig, trek je als een onzeker vaartuig door je lichaam, je weet niet waar je verblijft noch wat het einde is noch welk begin je na je einde mee zal voeren en je droomt, vanuit je eigen droom leef je voort tot aan de laatste blindblauwe flard van de lucht en dáárin, geef je je tenslotte over, laat je je wegzinken, zucht je in haar overwonnen paviljoenen.

(vertaling G. Droogenbroodt)

No dejéis morir a los viejos profetas pues alzaron su voz contra la usura que ciega nuestros ojos con óxidos oscuros, la voz que viene del desierto, el animal desnudo que sal de las aguas para fundar un reino de inocencia, la ira que despliega el mundo en alas, el pájaro abrasado de los apocalipsis, las antiguas palabras, las ciudades perdidas, el despertar del sol come dádiva cierta en la mano del hombre.

Jullie lieten de oude profeten niet sterven omdat ze hun stem verhieven tegen het gewoeker dat onze ogen verblindt met duister roest, de stem van de woestijn, het naakte dier dat uit het water opdoemt om een rijk van onschuld te stichten, de toorn die de vleugels van de wereld ontvouwt, de verschroeide vogel van de apocalypsen, de oude woorden, de vergane steden, het ontwaken van de zon als onbetwistbare gave in mensenhand.

(vertaling G. Droogenbroodt)

Tenía el mar fragmentos laminares de noche. Los arrojaba al día. Para que el ave tendida de la tarde no pudiera olvidar su origen en los terribles pozos anegados del fondo.

De zeer hield van de nacht nog dunne flarden vast. Gooide ze in de dag. Opdat de uitgestrekte vogel van de avond zijn ontstaan in de verschrikkelijke, overstroomde putten van de bodem niet zou kunnen vergeten.

(vertaling G. Droogenbroodt)

Valente gedichten uit:
Valente, J.A., De compositie van de stilte. Gedichten, (vertaling Bart Vonck)Brussel 2003 (Wagner en van Santen)
Lichtgevende schaduwen – Sombras Luminosas. Gedichten van José Ángel Valente, vertaling Germain Droogenbroodt, Meerbeke Ninove 1997 in: Point 83 jrg.

kruiswoord

Horizon en hemel en aarde in mijn werk

sacraliteit

Poussière tu m’émeus aux larmes
Stof je roert me tot tranen.

René Char, uit: Dépendance de l ‘adieu, uit : Draussen die Nacht wird regiert, p. 14

Twee thema’s, die in mijn werk samenhangen, en die te onderscheiden maar voor mij niet te scheiden, zijn: de horizon en ‘hemel en aarde’. De horizon is de denkbeeldige lijn tussen hemel en aarde en de letterlijke scheiding tussen de aarde en wat daarboven komt. Voor het gemak noem ik de lucht hemel en de bodem daaronder aarde. Hemel en aarde zijn eigenlijk constructies, begrippen die voor een ‘wereld staan’, “für eine Welt” zou Heidegger zeggen. Dat betekent dat de begrippen hemel en aarde niet waardevrij zijn, geen echte empirische grootheden, maar een aanduiding van de werkelijkheid die op een heel eigen wijze geladen is met betekenis. In deze begrippen klinkt de historie van de mensheid mee, de concrete en de ideeëngeschiedenis, het falen en mislukken en het behalen van overwinningen. Kortom het zijn begrippen waarmee de historie van de mensen en de religieuze geschiedenis van de mensheid aan het woord komt. Vandaar dat zij een grote aantrekkingskracht op mij uitoefenen en daarin sta ik niet alleen. Velen zijn mij voorgegaan en velen zullen mij nog volgen. Om met Kiefer te spreken, de aura van deze begrippen inspireert en zet aan tot schilderen.
De horizon is de verbindingslijn, het punt waar hemel en aarde bij elkaar komen en elkaar raken. Zonder die horizon geen scheiding maar ook geen hemel en aarde. Dan is het of het een of het ander. De horizon fascineert mij in hoge mate omdat het kijken naar de horizon en de bepaling van de horizon in de letterlijke en geestelijke zin van het woord ruimte geeft. De horizon ligt niet bij voorbaat vast. De horizon wil ontdekt worden, wil gevonden worden en dat is het mooie ervan hij verandert, hij verschuift voortdurend. Telkens als wij van plaats verwisselen schuift de horizon op, komt hij dichterbij of verdwijnt hij in de verte. De horizon is een vreemd fenomeen, gebonden aan onze waarneming leidt hij wel en geen eigenstandig leven. De horizon is in mijn ogen de bondgenoot van de mens omdat hij staat voor wat de mens kan bereiken en waarnaar hij kan verlangen. Als bondgenoot maakt hij dat voortdurend zichtbaar. De mens die de horizon niet opmerkt verkeert in een staat van blindheid, van desoriëntatie, van vertwijfeling zo je wilt. Want er zijn geen aanknopingspunten voor een oriëntatie, het leven is een zoeken en dolen, zonder begin en zonder einde. De weg is nooit een chaos, of een samenloop van toevalligheden. De weg begint altijd onder je voeten, daar waar je staat en waar je vandaan komt en naar toe gaat. Je oriënteren op de grond onder je voeten, of de hemel boven je hoofd zonder horizon is een zinloze bezigheid want er is geen overzicht, dat wil zeggen geen verleden en geen toekomst, geen gisteren en geen morgen. Het komt overeen met de rust in de kist – de doodsslaap, niets hoeft meer. De horizon is dus in deze zin levensnoodzaak, aanzet en bemoediging.
Met deze ietwat metaforische beschrijving heb ik proberen aan te duiden wat mij drijft in het gedreven schilderen van de horizon tussen hemel en aarde. Op elk werk komt deze horizon op de een of andere wijze terug. Soms prominent, soms verborgen op de achtergrond.
De hemel en aarde vormen een soort tegenhanger van elkaar, getrouw aan het principe dat de aardse realiteit een kopie heeft in de hemel. Niet letterlijk maar metaforisch. Hemel en aarde spiegelen zich daarom vaak in elkaar, zij vormen als het ware geen tegenstellingen die elkaar opheffen, maar zij vullen elkaar aan, vervolmaken elkaar en geven accenten waardoor de ander tot zijn recht komt. In mijn werk probeer ik dat te bereiken door de kleur, de wolkenpartijen in een blauwe hemel, de lagen boven elkaar op de aarde en in de hemel, en door de accentuering van de horizon. Oudere lagen staan vaak voor de werkelijkheid die onder de werkelijkheid van hemel en aarde verborgen zit, een soort sacraliteit van het landschap dat nauwelijks is zichtbaar te maken. Sacraal wil hier zeggen, apart gezet, afgescheiden van de rest, opvallend anders, een ander patroon en andere kleuren. Niet opvallend, maar bescheiden, haast onzichtbaar, timide, zich niet opdringend. Pas als je er oog voor hebt en let op de structuren van de verf, het schilderij, de compositie gaat het opvallen. Het materiaal van de verf en de ondergrond vormt het omhulsel waarbinnen het landschap zich presenteert. En het presenteert zich op een bijzondere wijze, dat is niet alledaags, niet vertrouwd, niet een kopie van het zichtbare en bekende. Dat is ook niet belangrijk, om het zichtbare te kopiëren, want wie is hiermee gediend? Dat is niet mijn streven, niet mijn doel. Mij gaat het erom om de horizon te doen oplichten, de relatie tussen hemel en aarde te verdiepen en de dubbele gelaagdheid van de werkelijkheid die volgens mij ook een sacrale dimensie heeft te voorschijn te halen.
De techniek is hierbij hulpmiddel: verf gemaakt van pigmenten en gebonden met water en verschillende bindmiddelen die invloed op elkaar uitoefenen zodat ook het toeval een grote rol speelt bij de totstandkoming van een werk. Uitgangspunt is vaak een concreet landschap dat in de vorm van een foto wordt toegevoegd en waaromheen ik dan een nieuw landschap schilder. Maar dat laatste hoeft niet, vaak is de verf zelf het uitgangspunt en begin ik met het maken van verf en het trekken van een paar lijnen op een vel papier: dan ontstaat vanzelf een landschap, zonder bijbedoeling, zonder opzet en zonder compositie in mijn hoofd. In feite ben ik nog steeds de verf en de penseelstreek aan het verkennen en doe dat vanuit het thema landschap met een accent op de horizon. Schilderen is dus in de traditie van de oude sumi-techniek het maken van het grote gebaar. Van binnen uit. De arm doet het werk. Het hoofd komt hoogstens achteraan om als het werk klaar is een kleine bijdrage te leveren in de vorm van een betekenis. Een mogelijke betekenis. Maar eigenlijk is dat niet meer interessant voor het schilderen zelf.

Le poète est l’homme de la stabilité unilatérale.
Le poète ne s’irrite pas de l’extinction hideuse de la mort, mais confiant en son toucher particulier transformer toute chose en laines prolongées.
De dichter is de man van eenzijdige stabiliteit.
De dichter maakt zich niet kwaad over de afschuwelijke verdwijning in de dood, maar vol vertrouwen op zijn eigen bijzondere tastzin, verandert hij alles in langgerekte wol.

René Char, Uit: Partage Formel, uit: Draussen die Nacht wird regiert, p. 36

Bijlage uit: God in het landschap. Zoektocht naar  een horizon. Een semiotische analyse  van het landschapsschilderij  als religieuze heterotopie – 2006

Hier te downloaden: http://www.canandanann.nl/essays/

schilderen

Maria ikoon

maria ikoon maria ikoon

Maria Ikoon – drieluik pigment, inkt op hout 2005

12-24-12 cm breed x 65 cm hoog (4 cm dik)

UTOPIA

Het eiland waar alles wordt opgehelderd.

Hier kan men op vaste bewijsgrond staan.

Er zijn geen andere wegen dan de toegangsweg.

De struiken buigen door van alle antwoorden.

Hier groeit de boom van het Juiste Vermoeden
met eeuwig ontwarde takken.

De verblindend simpele boom van het Begrijpen
bij de bron die Ah Dus Zo Zit Het heet.

Hoe dieper her bos in, des te breder
het Dal der Vanzelfsprekendheden.

Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.
De Echo neemt ongeroepen het woord
en verheldert graag de geheirnen van de werelden.
Rechts de grot waar de Betekenis ligt.
Links het meer van de Diepe Overtuiging.
De Waarheid maakt zich los van de bodem en drijft zachtjes omhoog.

Boven het dal torent de Onwankelbare Zekerheid op.
Vanaf haar top strekt zich het Wezen der Dingen uit.

Ondanks al deze verlokkingen is her eilland onbewoond
en de vage voetsporen die je op de kusten ziet
wijzen zonder uitzondering in de richting van de zee.

Alsof men hiervandaan alleen vertrekt
en onherroepelijk in het diepste onderzinkt.

In een leven dat niet te doorgronden is.

 

uit:

Wyslawa Zsymborska, Einde en begin, Gedichten 1957-1997, Meulenhoff, Amsterdam, 1999. Vertaald uit het Pools door Gerard Rasch. p. 193-194

kruiswoorden landschappen

Zeven Kruiswoorden – abstract 2002 pigment en inkt op doek 90×90 cm

MY BRIGHT ABYSS

My God my bright abyss
into which all my longing will not go
once more I come to the edge of all I know
and believing nothing believe in this.

 
And there the poem ends, Or fails, rather, for in the several years since I first Wrote that stanza I have been trying to feel my way-to will my way-into its ending. Poems in general are not especially susceptible to the will, but this one, for obvious reasons, has proved particularly intractable. As if it weren’t hard enough to articulate one’s belief, I seem to have wanted to distill it into a single stanza. Still, that is the way I have usually known my own mind, feeling through the sounds of words to the forms they make, and through the forms they make to the forms of life that are beyond them. And I have always believed in that “beyond,” even during the long years when I would not acknowledge God. I have expected something similar here. I have wanted some image to open for me, to both solidify my wavering faith and ramify beyond it, to say more than I can say.

In truth, though, what I crave at this point in my life is to speak more dearly what it is that I believe. It is not that I am tired of poetic truth, or that I feel it to be somehow weaker or less true than reason, The opposite is the case. Inspiration is to thought what grace is to faith: intrusive, transcendent, transformative, but also evanescent and, all too often, anomalous. A poem can leave its maker at once more deeply seized by existence and, in a profound way, alienated from it, for as the act of making ends-as the world that seemed to overbrim its boundaries becomes, once more, merely the world-it can be very difficult to retain any faith in that original moment of inspiration at all. The memory of that momentary blaze, in fact, and the art that issued from it, can become a reproach to the fireless life in which you find yourself most of the time. Grace is no different. (Artistic inspiration is sometimes an act of grace, though by no means always.) To experience grace is one thing; to integrate it into
your life is quite another. What I crave now is that integration, some speech that is true to the transcendent nature of grace yet adequate to the hard reality in which daily faith operates. I crave, I suppose, the poetry and the prose of knowing.

uit:

Wiman, Christian, My Bright Abyss. Meditation of a Modern Believer, New York 2013 (Farrar, Straus and Giroux)

Four stages of the cross

Four stages of the cross – 2015 pigment en inkt op hout 122x 90 cm

 

BUCHENWALD

Tussen de bomen van vroeger
waar het lichtwater kon worden
klinken de stappen gedempter
achter de trom van het bloed.
Hoor de verdronkenen zingen
ongerept en beveiligd
tegen de dwang van het lichaam
boven de boomtoppen uit:

Moeders, laat ons nog eenmaal
over uw lichaam de nacht zien
met de verdonkerde manen
van uw gespleten borst.
Kamperfoelie van geuren
breekt wat vergeten werd open
onder de hemelen van een .
stilte die niemand schaadt.
Want de mei is gekomen
over de vogels de kleinen
over de snelle vossen
over de wijngaard des bloeds.

Draagt ons vergeten en vruchten,
moeders, de kinderen die wij
langzaam en onbeholpen
uit de klei der verwachting
hebben gekneed naar ons eigen
evenbeeld: God.

H.J. van Tienhoven

KASTANJE

De levenbrengende, de fakkeldrager,
’t veelhandig loofhout dat zijn licht ontstak,
de kaarsen brandend en van was bedropen,
de ziekenzaal verlichtend met één tak,

slaat in dit dodenrijk een bres van voorjaar,
een vlam die schrijnen kan maar niet verwondt;
totdat de bloesems vallen, nauwlijks hoorbaar,
één voor één, als wasdroppels op de grond.

Uit alle bedden zien de stenen ogen,
gestold reeds tot een onbewogen schrik,
de doodsengel, dienstvaardig en gebogen,
geluidloos bezig met veger en blik.

Zijn handen tasten naar dood vruchtbegin.
Hij snuit de kaarsen. -Schemering valt in.

H.J. van Tienhoven

STAMBOOM

De spechten die mijn stam te vinden weten
mogen er aankloppen om gulonthaal
en uit mijn lijfsvoorraden wormen eten
zonder te weten dat ik zon vertaal,

blad na blad vullend met geheimschrift, vlammen,
brandend op mijn bloedeigen stam geënt,
zolang de zomeravond wachten kan en
stil wordt van aandacht naar mij toegewend.

Niets gaat er straks teloor in ’t grote vallen,
niets wordt gewonnen dan die laatste zon.
Eet, spechten, eet. – Nog deze winter zullen
doden ontberen wat uit mij begon.

H.J. van Tienhoven

Kerstverhaal

Kerstverhaal 2016 – pigment, sumi-e en inkt op papier 50×70 cm

Matheus 1,20 Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest.

Lucas 2,6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.

Lucas 2,18 Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19 maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken.

Matheus 2,3 Toen koning Herodes hiervan hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem.

Matheus 2,14 Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte.15 Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’

Maria symbolen

Uit het leven van Maria – via symbolen

2014 pigment, sumi-e, inkt op papier 30×40 cm

uit het leven van Maria: schilderijen en citaten

Tekens

Het leven van Maria en het leven van Jezus zijn verweven. Hoogtepunten van het leven van Maria gebaseerd op citaten waarin zij in de bijbel bij name wordt genoemd kunnen gekoppeld worden aan een symbool. Dat heb ik een eerste keer gedaan in 2014 en het resultaat zijn een aantal tekens die een eigen zeggingskracht hebben. Volledigheid is niet nagestreefd. Het graf of de steen voor het graf ontbreekt bijvoorbeeld terwijl het wel een krachtig symbool is. Ook het zwaard van Zacharias ontbreekt. Bij het sterven van Jezus wordt niet expliciet vermeld dat Maria als moeder aanwezig was in drie evangelies. Bij Johannes speelt ze een bijzondere rol omdat ze daar ook vanaf het kruis wordt toegesproken. Wel keken in de andere drie evangelies vrouwen op afstand toe. Onder hen Maria, moeder van Jakobus. Als deze de broer van Jezus is, wordt Maria via deze omweg genoemd. Een ander symbool dat ontbreekt is de kribbe of voederbak en de geschenken van de bezoekende sterrenwichelaars uit het oosten, goud, wierook en mirre. Ook dat zijn bijzondere symbolen. Ik veronderstel dat Maria ook aanwezig is bij de wolk die Jezus aan het gezicht onttrekt bij hemelvaart en bij de vuurtongen tijdens Pinksteren, de zending van de Geest.

BOOM: Matheus 1,20 Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest.

ENGEL: Lucas 1,28 Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’

BUIK: Lucas 1,41 Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest

BORST: Lucas 2,6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.

NEERWERPEN: Matheus 2,11 Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.

EZEL: Matheus 2,14 Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte.

MES: Lucas 2,21 Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.

TORAH: Lucas 2,49 Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’

WIJN: Johannes 2,3 Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ 4 ‘Wat wilt u van me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen.’ 5 Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’

DEUR: Marcus 3,32 Er zat een groot aantal mensen om hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u.’

STERVEN: Matheus 15,37 Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit.

ZOON: Johannes 19,26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ 27 en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

WOLK: Handelingen 1,9 Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen.

VLAM: Handelingen 2,3-4 Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

Kruiswoorden

7 kruiswoorden

2015 pigment, sumi, inkt op papier – 50×70 cm

words on the cross 

 

1. Lucas 23,34
33 Toen ze op het zogeheten Schedelveld° kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem. 34 Jezus sprak: `Vader, vergeef het hun, want° ze weten niet wat ze doen.‘ Ze verdobbelden zijn kleren. 35 Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: `Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’ 36 Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen 37 en zeiden: `Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!’ 38 Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden. 39

 

words on the cross

2. Johannes 19,26-27
25 Intussen stonden bij het kruis van Jezus zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. 26 Jezus zag zijn moeder, en bij haar de leerling van wie Hij hield. Toen zei Hij tegen zijn moeder: `Vrouw, daar is nu je zoon.’ 27 Vervolgens zei Hij tegen de leerling: `Daar is je moeder.’ Toen, van dat uur af, nam de leerling haar bij zich in huis op.

 

words on the cross

3. Lucas 23,43
Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: `Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!’ 40 Maar de ander wees hem terecht: `Heb zelfs jij geen ontzag voor God, nu jij ook deze straf ondergaat? 41 In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.’ 42 Daarop zei hij: `Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.’ 43 Hij zei tegen hem: `Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.’

kruiswoorden

4. Matheus 27,46
45 Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur. 46 Rond het negende uur riep Jezus met luide stem uit: `Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten? 47 Sommigen die daar stonden, hoorden dat en zeiden: `Hij roept Elia.’ 48 Meteen rende een van hen weg om een spons te halen, doopte die in wijn, stak hem op een rietstok en wilde Hem te drinken geven. 49 Maar de anderen zeiden: `Niet doen! Laten we eens kijken of Elia Hem komt redden.’ 50 Maar Jezus schreeuwde opnieuw luidkeels en gaf de geest.

words on the cross

5. Johannes 19,28
28 Jezus wist dat alles thans volbracht was. Daarom zei Hij – want de Schrift moest ten volle in vervulling gaan – `Ik heb dorst.’ 29 Er stond daar een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond.

 

words on the cross

6. Johannes 19,30
30 Toen Jezus van die wijn gedronken had, zei Hij: `Het is volbracht.‘ Daarop boog Hij het hoofd en gaf Hij de geest.

 

words on the cross

7. Lucas 23,46
44 Al rond het zesde uur werd het donker in heel het land, tot het negende uur. 45 Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor. 46 Toen riep Jezus luidkeels: `Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.‘ Na deze woorden stierf Hij.