Landschappen ontleed

Riesengebirge

In Mooshausen in de schwäbische Allgäu in de zomer van 1944 schrijft de Duitse theoloog Romano Guardini over “Form und Sinn der Landschaft in den Dichtungen Hölderlins”. In 10 kleine hoofdstukken beschrijft hij hoe in de gedichten van Friedrich Hölderlin het landschap wordt gevisualieerd in poëtische beelden. En welke dynamiek deze beschrijvingen zichtbaar maken. Het accent ligt op de ervaring van het landschap vanuit de eigen psyche, de relatie ermee op basis van het gevoel. Hij schrijft: “Diese Landschaft ist nicht in sich fertig, sondern ensteht aus der Begegnung des Einzelnen mit der umgebenden Wirklichkeit. Sie ist Umwelt, die der Lebende suchend, blickend, empfindend aus der Gesamtwelt herausgestaltet. Daher auch für jeden anders, da er selbst, bei allen Gemeinsamkeiten, anders und eigen ist. Seine Landschaft hat Schichten, die sich bei Allen finden; andere sind ihm mit besonders Verwandten gemeinsam; gewisse letzte aber – und besondere Tönungen an allen, auch der allgemeinsten – bleiben ihm vorbehalten. In ihnen wohnt er allein mit sich selbst.” (pag. 12-13)
In de teksten van Hölderlin ‘Hyperion’ en ‘Der Wanderer’ komt het landschap als thema in de vorm van het romantisch landschap aan de orde. “Man könnte diese Landschaft romantisch nennen. Sie ruht nicht in sich selbst, sondern jede ihrer Gestalten meint mehr, als was sie unmittelbar darstellt, und ihr Ganzes ist ins Unendliche hinaus geöffnet. Sie enthält aber Momente einer Unbedingtheit, welche dem hingegebenen, Entscheidung fürchtenden Wesen des Romantikers fremd ist. Diese kommt nicht aus einem Überschwang des Gefühls, sondern aus metaphysischen Wurzeln.” (pag. 20)
De verwijzing vanuit het landschap, of de beschrijving ervan, naar iets anders, dat dit landschap overstijgt, maken het tot een romantisch landschap, in de ogen van Guardini. Volgens hem wijst de ‘seelische Richtung’ van het ‘Hyperion-landschap’ naar de wijdte van de wereld en de geschiedenis: een onbereikbare wereld en een verloren geschiedenis. Maar volgens Guardini vind je in Hölderlins gedichten ook de tegengestelde beweging: (terug) naar de ‘Heimat’, het thuis zijn, in de gestalte van de geborgenheid en de vrede, het heden en het eigendom. Deze dynamiek komt aan het licht in het gedicht ‘Der Wanderer’.

Een ander perspectief biedt het gedicht ‘Heidelberg’. Hier is volgens Guardini sprake van een ‘Heroische Landschaft’. Dat is niet zomaar een landschap dat zich voor je geestesoog ontrolt zoals de tourist die een foto maakt van de stad met op de achtergrond de reusachtige burcht. Als je op de brug staat die over de Neckar leidt en je ziet de stad achter je, krijg je een indruk van de beelden uit dit gedicht.
In dit gedicht klinken volgens Guadini thema’s door die voor Hölderlin van belang zijn. Ze komen tot uitdrukking in de bewegingen die worden beschreven: bijvoorbeeld de rivier, het vlieden van de tijd en de stroom van het leven. Het gedicht ‘Andenken’ noemt Guardini een landschap van de ziel en het dromen. “Das Gedicht “Heidelberg” spricht vom Vorgang des inneren Strömens, vom Existieren im Vorübergang; die Dichtung “Andenken” von der Bewegung ins Vergangene, der Erinnerung, aus welcher sich eine irdisch-gegenwärtige und zugleich geheimniserfüllte Schönheit erhebt.” (pag. 30).
Volgens Guardini heeft het gedicht ‘Heidelberg’ aangetoond dat er achter de eerste werkelijkheid een tweede werkelijkheid zichtbaar wordt. Het kasteel dat over Heidelberg troont is vol ‘Schicksalsmächten’, de rivier draagt het gevaar met zich mee dat de passant zich in de diepte wil storten. Hoog en laag komen hier bij elkaar en worden tegenover elkaar geplaatst. In het gedicht ‘Brot und Wein’ (4e strofe) is sprake van een landschap van de goden. In de tweede strofe van de ‘Rheinhymne’ is sprake van een mytisch landschap. Kortom de beelden verschuiven telkens maar de dynamiek blijft gelijk: hoog en laag, oppervlakkig en diep, zichtbaar en onzichtbaar, aarde en hemel, wisselen elkaar voortdurend af. Wat opvalt is, nu 200 jaar later, hoe groot de tijdsafstand is geworden tussen een dichter als Hölderlin en onze eigen ervaringen en omschrijvingen. Het oude Griekenland is voor de meeste van ons geen inspiratiebron meer in onze kunst en poëzie. De Griekse mythen zijn vaak iets uit het schoolboek maar vormen geen kader meer om onze gedachten en zielsvervoeringen in te kleden.

Guardini beschrijft het wezen van de natuur bij Hölderlin: “Sie ist empirische Realität und im religiösen Erelebnis zu erfahrendes Numen zugleich.” Hemel en aarde vallen hier samen. Maar zij kunnen ook uit elkaar gaan zodat de dichter achterblijft met een gevoel van godverlatenheid, aldus Guardini.
Een andere omschrijving van het landschap is het dionische landschap, dat in de ‘Rheinhymne’ (5e strofe) en in ‘Stuttgart’ (1e strofe) ter sprake komt. Guardini schrijft: “Eine Landschaft von neuer Art. Überall Wirklichkeit: der Wildfluss und das Alpental, in dem er dahinbraust. Aber durch diese Erscheinungen dringt das Andere, Numinose; und zwar so ungeheuer, dass es ihre Ordnungen zu zerbrechen und das unnennbare Geschehnis zu entfesseln droht: dionysische Landschaft, die im Augenblick des Untergangs erscheint.” (pag. 48) Het kan dan ook bijna niet anders dat het volgende landschap dat wordt beschreven aan de ondergang is gewijd: het ‘Apokalyptich-titanische’ landschap.

Guardini schrijft dat elke chaos die uitmondt in de kulminatie van het leven, dionysiaans is, want ze blijft gevangen in het ritme van ontstaan, worden en vergaan. Het model is cyclisch. Maar er is ook een andere werkelijkheid: die van de vernietiging, het vijandige, boze, kwaadaardige. De wereld van de gevallen goden, heersend over de onderwereld, de titanen. In het gedicht ‘Erntezeit’ komt dit aan het licht.
De beschrijvingen van het landschap vanuit deze metaforen is echter nog niet ten einde. Volgens Guardini is er bij Hölderlin steeds een verder… In het gedicht ‘Patmos’ (1e strofe) komt het landschap als pure existentie aan het licht. Dat is het landschap dat tevoorschijn treedt als alles is weggevallen. De strijd is gestreden, alle elementen uit de vorige gedichten zijn tot rust gekomen. Hölderlin spreekt in dit gedicht over onschuldig water en lucht die trouw is. Wat over blijft is eigenlijk, in de beeldspraak die aansluit bij onze (moderne) waarneming, stilte. Dat is een thema, zo vermoed ik, dat wij zouden kiezen vanuit ons 20e eeuwse zelfbesef.
Hölderlin vervalt in waanzin als hij 32 jaar oud is. Hij zal nog veertig jaar doorbrengen als patiënt. Niet helemaal in stilte. Er zijn nog gedichten van hem bekend – welliswaar uit de 2e hand, omdat ze door de handen van bewonderaars zijn gegaan voordat ze zijn gepubliceerd. De meningen zijn daarover verdeeld.

Guardini laat Hölderlin ook nog uit deze uiterste verte tot ons spreken. Niet zonder onder de indruk te zijn van dit spreken dat voor hem nog steeds getuigt van een grootsheid die niet vernietigd kan worden.
Het thema landschap in de poëzie en het landschap in de werkelijkheid zijn voor mij beiden inspiratiebronnen. Ik ben nooit in de bergen geweest, ik ken de Alpen en de Dolomieten niet uit persoonlijke ervaring, noch de woestijn of het uitgestrekte moeras. Maar de mythes en verhalen hiermee verbonden, de duidingen van deze landschappen vanuit de religieuze tradities, de semiotische beladenheid ervan en de veelduidigheid zetten mij telkens weer aan om deze landschappen te verbeelden in mijn schilderen. Series als Germania (de Rijn met de heldenplaatsen), de Alpen, de Dolomieten, Duitse meren en rivieren, streken in het middel- en hooggebergte in Duitsland, Oostenrijk en Italië, ze leggen hiervan getuigenis af. Vaak is de aanleiding een kleine afbeelding van het gebied uit een oud fotomapje, een toeristisch hebbedingetje, of een zelf gescande en afgedrukte foto van afbeeldingen uit oude boeken. Ik hoef er zelf niet te zijn geweest om toch geïnspireerd te worden. Zoals Anselm Kiefer geïnspireerd is door de Duitse mythen en sagen en het heden verbindt met deze context in zijn werk, zo laat ik mij leiden door het gevonden beeld in samenhang met de inspiratie die van het landschap zelf uitgaat en die mij aanzet tot een verdere (fantasievolle) uitwerking.
Het landschap gaat zo op een geheel nieuwe wijze betekenis krijgen. Een nieuw leven.

John Hacking
7 januari 2018

bron:
Romano Guardini, Form und Sinn der Landschaft in de Dichtungen Hölderlins, Tübingen und Stuttgart 1946 (Rainer Wunderlich Verlag Hemann Leins)

zie ook voor de gedichten:
http://gutenberg.spiegel.de/autor/friedrich-holderlin-279

 

landschap
Germania

Gedichten Friedrich Hölderlin:

1. Der Wanderer

Einsam stand ich und sah in die afrikanischen dürren
Ebnen hinaus; vom Olymp regnete Feuer herab,
Reißendes! milder kaum, wie damals, da das Gebirg hier
Spaltend mit Strahlen der Gott Höhen und Tiefen gebaut.
Aber auf denen springt kein frischaufgrünender Wald nicht
In die tönende Luft üppig und herrlich empor.
Unbekränzt ist die Stirne des Bergs und beredtsame Bäche
Kennet er kaum, es erreicht selten die Quelle das Tal.
Keiner Herde vergeht am plätschernden Brunnen der Mittag,
Freundlich aus Bäumen hervor blickte kein gastliches Dach.
Unter dem Strauche saß ein ernster Vogel gesanglos,
Aber die Wanderer flohn eilend, die Störche, vorbei.
Da bat ich um Wasser dich nicht, Natur! in der Wüste,
Wasser bewahrte mir treulich das fromme Kamel.
Um der Haine Gesang, ach! um die Gärten des Vaters
Bat ich vom wandernden Vogel der Heimat gemahnt.
Aber du sprachst zu mir: Auch hier sind Götter und walten,
Groß ist ihr Maß, doch es mißt gern mit der Spanne der Mensch.

Und es trieb die Rede mich an, noch Andres zu suchen,
Fern zum nördlichen Pol kam ich in Schiffen herauf.
Still in der Hülse von Schnee schlief da das gefesselte Leben,
Und der eiserne Schlaf harrte seit Jahren des Tags.
Denn zu lang nicht schlang um die Erde den Arm der Olymp hier,
Wie Pygmalions Arm um die Geliebte sich schlang.
Hier bewegt’ er ihr nicht mit dem Sonnenblicke den Busen,
Und in Regen und Tau sprach er nicht freundlich zu ihr;
Und mich wunderte des und törig sprach ich: O Mutter
Erde, verlierst du denn immer, als Witwe, die Zeit?
Nichts zu erzeugen ist ja und nichts zu pflegen in Liebe,
Alternd im Kinde sich nicht wieder zu sehn, wie der Tod.
Aber vielleicht erwarmst du dereinst am Strahle des Himmels,
Aus dem dürftigen Schlaf schmeichelt sein Othem dich auf;
Daß, wie ein Samkorn, du die eherne Schale zersprengest,
Los sich reißt und das Licht grüßt die entbundene Welt,
All die gesammelte Kraft aufflammt in üppigem Frühling,
Rosen glühen und Wein sprudelt im kärglichen Nord.

Also sagt ich und jetzt kehr ich an den Rhein, in die Heimat,
Zärtlich, wie vormals, wehn Lüfte der Jugend mich an;
Und das strebende Herz besänftigen mir die vertrauten
Offnen Bäume, die einst mich in den Armen gewiegt,
Und das heilige Grün, der Zeuge des seligen, tiefen
Lebens der Welt, es erfrischt, wandelt zum Jüngling mich um.
Alt bin ich geworden indes, mich bleichte der Eispol,
Und im Feuer des Süds fielen die Locken mir aus.
Aber wenn einer auch am letzten der sterblichen Tage,
Fernher kommend und müd bis in die Seele noch jetzt
Wiedersähe dies Land, noch Einmal müßte die Wang ihm
Blühn, und erloschen fast glänzte sein Auge noch auf.
Seliges Tal des Rheins! kein Hügel ist ohne den Weinstock,
Und mit der Traube Laub Mauer und Garten bekränzt,
Und des heiligen Tranks sind voll im Strome die Schiffe,
Städt und Inseln, sie sind trunken von Weinen und Obst.
Aber lächelnd und ernst ruht droben der Alte, der Taunus,
Und mit Eichen bekränzt neiget der Freie das Haupt.

Und jetzt kommt vom Walde der Hirsch, aus Wolken das Tagslicht,
Hoch in heiterer Luft siehet der Falke sich um.
Aber unten im Tal, wo die Blume sich nähret von Quellen,
Streckt das Dörfchen bequem über die Wiese sich aus.
Still ists hier. Fern rauscht die immer geschäftige Mühle,
Aber das Neigen des Tags künden die Glocken mir an.
Lieblich tönt die gehämmerte Sens und die Stimme des Landmanns,
Der heimkehrend dem Stier gerne die Schritte gebeut,
Lieblich der Mutter Gesang, die im Grase sitzt mit dem Söhnlein;
Satt vom Sehen entschliefs; aber die Wolken sind rot,
Und am glänzenden See, wo der Hain das offene Hoftor
Übergrünt und das Licht golden die Fenster umspielt,
Dort empfängt mich das Haus und des Gartens heimliches Dunkel,
Wo mit den Pflanzen mich einst liebend der Vater erzog;
Wo ich frei, wie Geflügelte, spielt auf luftigen Ästen,
Oder ins treue Blau blickte vom Gipfel des Hains.
Treu auch bist du von je, treu auch dem Flüchtlinge blieben,
Freundlich nimmst du, wie einst, Himmel der Heimat, mich auf.

Noch gedeihn die Pfirsiche mir, mich wundern die Blüten,
Fast, wie die Bäume, steht herrlich mit Rosen der Strauch.
Schwer ist worden indes von Früchten dunkel mein Kirschbaum,
Und der pflückenden Hand reichen die Zweige sich selbst.
Auch zum Walde zieht mich, wie sonst, in die freiere Laube
Aus dem Garten der Pfad oder hinab an den Bach,
Wo ich lag, und den Mut erfreut am Ruhme der Männer,
Ahnender Schiffer; und das konnten die Sagen von euch,
Daß in die Meer ich fort, in die Wüsten mußt, ihr Gewaltgen!
Ach! indes mich umsonst Vater und Mutter gesucht.
Aber wo sind sie? du schweigst? du zögerst? Hüter des Hauses!
Hab ich gezögert doch auch! habe die Schritte gezählt,
Da ich nahet, und bin, gleich Pilgern, stille gestanden.
Aber gehe hinein, melde den Fremden, den Sohn,
Daß sich öffnen die Arm und mir ihr Segen begegne,
Daß ich geweiht und gegönnt wieder die Schwelle mir sei!
Aber ich ahn es schon, in heilige Fremde dahin sind
Nun auch sie mir, und nie kehret ihr Lieben zurück.

Vater und Mutter? und wenn noch Freunde leben, sie haben
Andres gewonnen, sie sind nimmer die Meinigen mehr.
Kommen werd ich, wie sonst, und die alten, die Namen der Liebe
Nennen, beschwören das Herz, ob es noch schlage, wie sonst,
Aber stille werden sie sein. So bindet und scheidet
Manches die Zeit. Ich dünk ihnen gestorben, sie mir.
Und so bin ich allein. Du aber, über den Wolken,
Vater des Vaterlands! mächtiger Aether! und du
Erd und Licht! ihr einigen drei, die walten und lieben,
Ewige Götter! mit euch brechen die Bande mir nie.
Ausgegangen von euch, mit euch auch bin ich gewandert,
Euch, ihr Freudigen, euch bring ich erfahrner zurück.
Darum reiche mir nun, bis oben an von des Rheines
Warmen Bergen mit Wein reiche den Becher gefüllt!
Daß ich den Göttern zuerst und das Angedenken der Helden
Trinke, der Schiffer, und dann eures, ihr Trautesten! auch,
Eltern und Freund’! und der Mühn und aller Leiden vergesse
Heut und morgen und schnell unter den Heimischen sei.

Quelle:
Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke. 6 Bände, Band 2, Stuttgart 1953, S. 84-87,116-117.
Permalink: http://www.zeno.org/nid/20005104890

landschap
Krimml

2. Heidelberg

Lange lieb ich dich schon, möchte dich, mir zur Lust,
Mutter nennen, und dir schenken ein kunstlos Lied,
Du, der Vaterlandsstädte
Ländlichschönste, so viel ich sah.

Wie der Vogel des Walds über die Gipfel fliegt,
Schwingt sich über den Strom, wo er vorbei dir glänzt,
Leicht und kräftig die Brücke,
Die von Wagen und Menschen tönt.

Wie von Göttern gesandt, fesselt’ ein Zauber einst
Auf die Brücke mich an, da ich vorüber ging,
Und herein in die Berge
Mir die reizende Ferne schien,

Und der Jüngling, der Strom, fort in die Ebne zog,
Traurigfroh, wie das Herz, wenn es, sich selbst zu schön,
Liebend unterzugehen,
In die Fluten der Zeit sich wirft.

Quellen hattest du ihm, hattest dem Flüchtigen
Kühle Schatten geschenkt, und die Gestade sahn
All ihm nach, und es bebte
Aus den Wellen ihr lieblich Bild.

Aber schwer in das Tal hing die gigantische,
Schicksalskundige Burg nieder bis auf den Grund,
Von den Wettern zerrissen;
Doch die ewige Sonne goß

Ihr verjüngendes Licht über das alternde
Riesenbild, und umher grünte lebendiger
Efeu; freundliche Wälder
Rauschten über die Burg herab.

Sträuche blühten herab, bis wo im heitern Tal,
An den Hügel gelehnt, oder dem Ufer hold,
Deine fröhlichen Gassen
Unter duftenden Gärten ruhn.

Quelle:
Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke. 6 Bände, Band 2, Stuttgart 1953, S. 13-15.
Permalink: http://www.zeno.org/nid/20005104580

landschap
Mayerhoven

3. Andenken

Der Nordost wehet,
Der liebste unter den Winden
Mir, weil er feurigen Geist
Und gute Fahrt verheißet den Schiffern.
Geh aber nun und grüße
Die schöne Garonne,
Und die Gärten von Bourdeaux
Dort, wo am scharfen Ufer
Hingehet der Steg und in den Strom
Tief fällt der Bach, darüber aber
Hinschauet ein edel Paar
Von Eichen und Silberpappeln;

Noch denket das mir wohl und wie
Die breiten Gipfel neiget
Der Ulmwald, über die Mühl,
Im Hofe aber wächset ein Feigenbaum.
An Feiertagen gehn
Die braunen Frauen daselbst
Auf seidnen Boden,
Zur Märzenzeit,
Wenn gleich ist Nacht und Tag,
Und über langsamen Stegen,
Von goldenen Träumen schwer,
Einwiegende Lüfte ziehen.

Es reiche aber,
Des dunkeln Lichtes voll,
Mir einer den duftenden Becher,
Damit ich ruhen möge; denn süß
Wär unter Schatten der Schlummer.
Nicht ist es gut,
Seellos von sterblichen
Gedanken zu sein. Doch gut
Ist ein Gespräch und zu sagen
Des Herzens Meinung, zu hören viel
Von Tagen der Lieb,
Und Taten, welche geschehen.

Wo aber sind die Freunde? Bellarmin
Mit dem Gefährten? Mancher
Trägt Scheue, an die Quelle zu gehn;
Es beginnet nämlich der Reichtum
Im Meere. Sie,
Wie Maler, bringen zusammen
Das Schöne der Erd und verschmähn
Den geflügelten Krieg nicht, und
Zu wohnen einsam, jahrlang, unter
Dem entlaubten Mast, wo nicht die Nacht durchglänzen
Die Feiertage der Stadt,
Und Saitenspiel und eingeborener Tanz nicht.

Nun aber sind zu Indiern
Die Männer gegangen,
Dort an der luftigen Spitz
An Traubenbergen, wo herab
Die Dordogne kommt,
Und zusammen mit der prächtgen
Garonne meerbreit
Ausgehet der Strom. Es nehmet aber
Und gibt Gedächtnis die See,
Und die Lieb auch heftet fleißig die Augen,
Was bleibet aber, stiften die Dichter.

Quelle:
Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke. 6 Bände, Band 2, Stuttgart 1953, S. 195-198.
Permalink: http://www.zeno.org/nid/20005105099

 

landschap
Bingen am Rhein

 

4. Der Rhein

An Isaak von Sinclair

Im dunkeln Efeu saß ich, an der Pforte
Des Waldes, eben, da der goldene Mittag,
Den Quell besuchend, herunterkam
Von Treppen des Alpengebirgs,
Das mir die göttlichgebaute,
Die Burg der Himmlischen heißt
Nach alter Meinung, wo aber
Geheim noch manches entschieden
Zu Menschen gelanget; von da
Vernahm ich ohne Vermuten
Ein Schicksal, denn noch kaum
War mir im warmen Schatten
Sich manches beredend, die Seele
Italia zu geschweift
Und fernhin an die Küsten Moreas.

Jetzt aber, drin im Gebirg,
Tief unter den silbernen Gipfeln
Und unter fröhlichem Grün,
Wo die Wälder schauernd zu ihm,
Und der Felsen Häupter übereinander
Hinabschaun, taglang, dort
Im kältesten Abgrund hört
Ich um Erlösung jammern
Den Jüngling, es hörten ihn, wie er tobt’,
Und die Mutter Erd anklagt’,
Und den Donnerer, der ihn gezeuget,
Erbarmend die Eltern, doch
Die Sterblichen flohn von dem Ort,
Denn furchtbar war, da lichtlos er
In den Fesseln sich wälzte,
Das Rasen des Halbgotts.

Die Stimme wars des edelsten der Ströme,
Des freigeborenen Rheins,
Und anderes hoffte der, als droben von den Brüdern,
Dem Tessin und dem Rhodanus,
Er schied und wandern wollt, und ungeduldig ihn
Nach Asia trieb die königliche Seele.
Doch unverständig ist
Das Wünschen vor dem Schicksal.
Die Blindesten aber
Sind Göttersöhne. Denn es kennet der Mensch
Sein Haus und dem Tier ward, wo
Es bauen solle, doch jenen ist
Der Fehl, daß sie nicht wissen wohin
In die unerfahrne Seele gegeben.

Ein Rätsel ist Reinentsprungenes. Auch
Der Gesang kaum darf es enthüllen. Denn
Wie du anfingst, wirst du bleiben,
So viel auch wirket die Not,
Und die Zucht, das meiste nämlich
Vermag die Geburt,
Und der Lichtstrahl, der
Dem Neugebornen begegnet.
Wo aber ist einer,
Um frei zu bleiben
Sein Leben lang, und des Herzens Wunsch
Allein zu erfüllen, so
Aus günstigen Höhn, wie der Rhein,
Und so aus heiligem Schoße
Glücklich geboren, wie jener?

Drum ist ein Jauchzen sein Wort.
Nicht liebt er, wie andere Kinder,
In Wickelbanden zu weinen;
Denn wo die Ufer zuerst
An die Seit ihm schleichen, die krummen,
Und durstig umwindend ihn,
Den Unbedachten, zu ziehn
Und wohl zu behüten begehren
Im eigenen Zahne, lachend
Zerreißt er die Schlangen und stürzt
Mit der Beut und wenn in der Eil
Ein Größerer ihn nicht zähmt,
Ihn wachsen läßt, wie der Blitz, muß er
Die Erde spalten, und wie Bezauberte fliehn
Die Wälder ihm nach und zusammensinkend die Berge.

Ein Gott will aber sparen den Söhnen
Das eilende Leben und lächelt,
Wenn unenthaltsam, aber gehemmt
Von heiligen Alpen, ihm
In der Tiefe, wie jener, zürnen die Ströme.
In solcher Esse wird dann
Auch alles Lautre geschmiedet,
Und schön ists, wie er drauf,
Nachdem er die Berge verlassen,
Stillwandelnd sich im deutschen Lande
Begnüget und das Sehnen stillt
Im guten Geschäfte, wenn er das Land baut,
Der Vater Rhein, und liebe Kinder nährt
In Städten, die er gegründet.

Doch nimmer, nimmer vergißt ers.
Denn eher muß die Wohnung vergehn,
Und die Satzung und zum Unbild werden
Der Tag der Menschen, ehe vergessen
Ein solcher dürfte den Ursprung
Und die reine Stimme der Jugend.
Wer war es, der zuerst
Die Liebesbande verderbt
Und Stricke von ihnen gemacht hat?
Dann haben des eigenen Rechts
Und gewiß des himmlischen Feuers
Gespottet die Trotzigen, dann erst
Die sterblichen Pfade verachtend
Verwegnes erwählt
Und den Göttern gleich zu werden getrachtet.

Es haben aber an eigner
Unsterblichkeit die Götter genug, und bedürfen
Die Himmlischen eines Dings,
So sinds Heroen und Menschen
Und Sterbliche sonst. Denn weil
Die Seligsten nichts fühlen von selbst,
Muß wohl, wenn solches zu sagen
Erlaubt ist, in der Götter Namen
Teilnehmend fühlen ein Andrer,
Den brauchen sie; jedoch ihr Gericht
Ist, daß sein eigenes Haus
Zerbreche der und das Liebste
Wie den Feind schelt und sich Vater und Kind
Begrabe unter den Trümmern,
Wenn einer, wie sie, sein will und nicht
Ungleiches dulden, der Schwärmer.

Drum wohl ihm, welcher fand
Ein wohlbeschiedenes Schicksal,
Wo noch der Wanderungen
Und süß der Leiden Erinnerung
Aufrauscht am sichern Gestade,
Daß da und dorthin gern
Er sehn mag bis an die Grenzen,
Die bei der Geburt ihm Gott
Zum Aufenthalte gezeichnet.
Dann ruht er, seligbescheiden,
Denn alles, was er gewollt,
Das Himmlische, von selber umfängt
Es unbezwungen, lächelnd
Jetzt, da er ruhet, den Kühnen.

Halbgötter denk ich jetzt
Und kennen muß ich die Teuern,
Weil oft ihr Leben so
Die sehnende Brust mir beweget.
Wem aber, wie, Rousseau, dir,

Unüberwindlich die Seele,
Die starkausdauernde, ward,
Und sicherer Sinn
Und süße Gabe zu hören,
Zu reden so, daß er aus heiliger Fülle
Wie der Weingott, törig göttlich
Und gesetzlos sie, die Sprache der Reinesten, gibt
Verständlich den Guten, aber mit Recht
Die Achtungslosen mit Blindheit schlägt,
Die entweihenden Knechte, wie nenn ich den Fremden?

Die Söhne der Erde sind, wie die Mutter,
Alliebend, so empfangen sie auch
Mühlos, die Glücklichen, Alles.
Drum überraschet es auch
Und schröckt den sterblichen Mann,
Wenn er den Himmel, den
Er mit den liebenden Armen
Sich auf die Schultern gehäuft,
Und die Last der Freude bedenket;
Dann scheint ihm oft das Beste,
Fast ganz vergessen da,
Wo der Strahl nicht brennt,
Im Schatten des Walds
Am Bielersee in frischer Grüne zu sein,
Und sorglosarm an Tönen,
Anfängern gleich, bei Nachtigallen zu lernen.

Und herrlich ists, aus heiligem Schlafe dann
Erstehen und, aus Waldes Kühle
Erwachend, abends nun
Dem milderen Licht entgegenzugehn,
Wenn, der die Berge gebaut
Und den Pfad der Ströme gezeichnet,
Nachdem er lächelnd auch
Der Menschen geschäftiges Leben,
Das othemarme, wie Segel
Mit seinen Lüften gelenkt hat,
Auch ruht und zu der Schülerin jetzt,
Der Bildner, Gutes mehr
Denn Böses findend,
Zur heutigen Erde der Tag sich neiget. –

Dann feiern das Brautfest Menschen und Götter,
Es feiern die Lebenden all,
Und ausgeglichen
Ist eine Weile das Schicksal.
Und die Flüchtlinge suchen die Herberg,
Und süßen Schlummer die Tapfern,
Die Liebenden aber
Sind, was sie waren, sie sind
Zu Hause, wo die Blume sich freuet
Unschädlicher Glut und die finsteren Bäume
Der Geist umsäuselt, aber die Unversöhnten
Sind umgewandelt und eilen
Die Hände sich ehe zu reichen,
Bevor das freundliche Licht
Hinuntergeht und die Nacht kommt.

Doch einigen eilt
Dies schnell vorüber, andere
Behalten es länger.
Die ewigen Götter sind
Voll Lebens allzeit; bis in den Tod
Kann aber ein Mensch auch
Im Gedächtnis doch das Beste behalten,
Und dann erlebt er das Höchste.
Nur hat ein jeder sein Maß.
Denn schwer ist zu tragen
Das Unglück, aber schwerer das Glück.
Ein Weiser aber vermocht es
Vom Mittag bis in die Mitternacht,
Und bis der Morgen erglänzte,
Beim Gastmahl helle zu bleiben.

Dir mag auf heißem Pfade unter Tannen oder
Im Dunkel des Eichwalds gehüllt
In Stahl, mein Sinclair! Gott erscheinen oder
In Wolken, du kennst ihn, da du kennest, jugendlich,
Des Guten Kraft, und nimmer ist dir
Verborgen das Lächeln des Herrschers
Bei Tage, wenn
Es fieberhaft und angekettet das
Lebendige scheinet oder auch
Bei Nacht, wenn alles gemischt
Ist ordnungslos und wiederkehrt
Uralte Verwirrung.

Quelle:
Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke. 6 Bände, Band 2, Stuttgart 1953, S. 148-156.
Permalink: http://www.zeno.org/nid/20005104998

landschap
Bingen am Rhein

5. Patmos

Dem Landgrafen von Homburg

[Ansätze zur letzten Fassung]

Voll Güt ist; keiner aber fasset
Allein Gott.
Wo aber Gefahr ist, wächst
Das Rettende auch.
Im Finstern wohnen
Die Adler, und furchtlos gehen
Im Tagewerk die Söhne der Alpen über den Abgrund weg
Auf leichtgebaueten Brücken.
Drum, da gehäuft sind rings, um Klarheit,
Die Gipfel der Zeit,
Und die Liebsten nahe wohnen, sehnsuchtsvoll, ermattet, auf
Getrenntesten Bergen,
So gib unschuldig Wasser,
O Fittige gib uns, treuesten Sinns
Hinüberzugehn und wiederzukehren.

So sprach ich, da entführte
Mich künstlicher, denn ich vermutet,
Und weit, wohin ich nimmer
Zu kommen gedacht, ein Genius mich
Vom eigenen Haus. Es kleideten sich
Im Zwielicht, Menschen ähnlich, da ich ging,
Der schattige Wald
Und die sehnsüchtigen Bäche
Der Heimat; nimmer kannt ich die Länder.
Viel aber mitgelitten erfahren haben wir, Merkzeichen viel. So
In frischem Glanze, geheimnisvoll,
In goldenem Rauche blühte
Schnellaufgewachsen,
Herzlich erkannt, mit Schritten der Sonne,
Von tausend Tischen duftend, jetzt,

Mir Asia auf und geblendet ganz
Sucht eins ich, das ich kennete, denn nie gewöhnt hatt
Ich mich solch breiter Gassen, wo herab
Vom Tmolus aus fährt,
Ein unzerbrechlich Zeug, der goldgeschmückte Paktol
Und Taurus stehet und Messogis, und von Gewürzen
Fast schläfrig der Garten,

Vom Jordan fern und Nazareth
Und fern vom See, an Capernaum, wo sie ihn
Gesucht, und Galiläa die Lüfte, und von Cana.
Eine Weile bleib ich, sprach er. Also wie mit Tropfen, heiligen,
Stillte er das Seufzen des Lichts, das durstigem Tier war oder
Dem Schreien des Huhns ähnlich, jenes Tages, als um Syrien, verblüht,
Gewimmert der getöteten Kindlein heimatliche
Anmut wohlredend im Verschwinden, und des Täufers[193]
Sein Haupt stürzt und, das goldene, lag uneßbarer und unverwelklicher Schrift gleich
Sichtbar auf trockener Schüssel. Wie Feuer, in Städten, tödlichliebend
Sind Gottes Stimmen. Brennend ist aber, gewißlich
Das gleich behalten, im Großen das Große.
Nie eine Weide. Daß einer
Bleibet im Anfang. Jetzt aber
Geht dieses wieder, wie sonst.

Johannes. Christus. Diesen, ein
Lastträger, möcht ich singen, gleich dem Herkules, oder
Der Insel, welche gebannet, und angeblümt, sinnreich, erfrischend,
Die benachbarte mit kalten Meereswassern aus der Wüste
Der Flut, der weiten, Peleus. Aber nicht
Genug. Anders ist es ein Schicksal. Wundervoller.
Reicher, zu singen. Unabsehlich
Seit dem die Fabel. Und auch möcht
Ich die Fahrt der Edelleute nach
Jerusalem, und wie Schwanen der Schiffe Gang und das Leiden irrend in Canossa, brennendheiß,
Und den Heinrich singen. Aber daß uranfangs
Der Mut nicht selber mich aussetze. Schauen, müssen wir mit Schlüssen,
Der Erfindung, vorher. Denn teuer ists,
Das Angesicht des Teuersten. Nämlich Leiden färbt
Die Reinheit dieses, die rein

Ist wie ein Schwert. Damals sah aber
Der achtsame Mann
Das Angesicht des Gottes,
Da, beim Geheimnisse des Weinstocks, sie
Zusammensaßen, zu der Stunde des Gastmahls,
Als in der großen Seele, wohlauswählend, den Tod
Aussprach der Herr, und die letzte Liebe, denn nie genug
Hatt er, von Güte, zu sagen
Der Worte, damals, und zu bejahn schneeweiß. Aber nachher
Sein Licht war Tod. Denn begrifflos ist das Zürnen der Welt, namlos.
Das aber erkannt er. Alles ist gut. Drauf starb er.
Es sahen aber, gebückt, desunerachtet, vor Gott die Gestalt
Des Verleugnenden, wie wenn
Ein Jahrhundert sich biegt, nachdenklich, in der Freude der Wahrheit
Noch zuletzt die Freunde,

Doch aber mußten sie trauern, nun, da
Es Abend worden. Nämlich meistens ist rein
Zu sein ein Geschick, ein Leben, das ein Herz hat,
Vor solchem Angesicht, und dauert über die Hälfte.
Zu meiden aber ist viel. Zu viel aber
Der Liebe, wo Anbetung ist,
Ist gefahrreich, triffet am meisten. Aber jene nicht
Von Tränen und Schläfen des Herrn wollten
Lassen und der Heimat. Eingeboren, glühend
Wie Feuer rot war im Eisen das. Und schadend das Angesicht des Gottes wirklich
Wie eine Seuche ging zur Seite, der Schatte des Lieben.
Drum sandt er ihnen
Den Geist, und freilich bebte
Das Haus und die Wetter Gottes rollten
Ferndonnernd, Männer schaffend, zornige, wie wenn Drachenzähne, prächtigen Schicksals,

Quelle:
Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke. 6 Bände, Band 2, Stuttgart 1953, S. 191-195.
Permalink: http://www.zeno.org/nid/20005105080

landschap
Alpen

6. Brot und Wein

An Heinze

1
Rings um ruhet die Stadt; still wird die erleuchtete Gasse,
Und, mit Fackeln geschmückt, rauschen die Wagen hinweg.
Satt gehn heim von Freuden des Tags zu ruhen die Menschen,
Und Gewinn und Verlust wäget ein sinniges Haupt
Wohlzufrieden zu Haus; leer steht von Trauben und Blumen,
Und von Werken der Hand ruht der geschäftige Markt.
Aber das Saitenspiel tönt fern aus Gärten; vielleicht, daß
Dort ein Liebendes spielt oder ein einsamer Mann
Ferner Freunde gedenkt und der Jugendzeit; und die Brunnen
Immerquillend und frisch rauschen an duftendem Beet.
Still in dämmriger Luft ertönen geläutete Glocken,
Und der Stunden gedenk rufet ein Wächter die Zahl.
Jetzt auch kommet ein Wehn und regt die Gipfel des Hains auf,
Sieh! und das Schattenbild unserer Erde, der Mond,
Kommet geheim nun auch; die Schwärmerische, die Nacht kommt,
Voll mit Sternen und wohl wenig bekümmert um uns,
Glänzt die Erstaunende dort, die Fremdlingin unter den Menschen,
Über Gebirgeshöhn traurig und prächtig herauf.

2
Wunderbar ist die Gunst der Hocherhabnen und niemand
Weiß, von wannen und was einem geschiehet von ihr.
So bewegt sie die Welt und die hoffende Seele der Menschen,
Selbst kein Weiser versteht, was sie bereitet, denn so
Will es der oberste Gott, der sehr dich liebet, und darum
Ist noch lieber, wie sie, dir der besonnene Tag.
Aber zuweilen liebt auch klares Auge den Schatten
Und versuchet zu Lust, eh es die Not ist, den Schlaf,
Oder es blickt auch gern ein treuer Mann in die Nacht hin,
Ja, es ziemet sich, ihr Kränze zu weihn und Gesang,
Weil den Irrenden sie geheiliget ist und den Toten,
Selber aber besteht, ewig, in freiestem Geist.
Aber sie muß uns auch, daß in der zaudernden Weile,
Daß im Finstern für uns einiges Haltbare sei,
Uns die Vergessenheit und das Heiligtrunkene gönnen,
Gönnen das strömende Wort, das, wie die Liebenden, sei,
Schlummerlos, und vollern Pokal und kühneres Leben,
Heilig Gedächtnis auch, wachend zu bleiben bei Nacht.

3
Auch verbergen umsonst das Herz im Busen, umsonst nur
Halten den Mut noch wir, Meister und Knaben, denn wer
Möcht es hindern und wer möcht uns die Freude verbieten?
Göttliches Feuer auch treibet, bei Tag und bei Nacht,
Aufzubrechen. So komm! daß wir das Offene schauen,
Daß ein Eigenes wir suchen, so weit es auch ist.
Fest bleibt Eins; es sei um Mittag oder es gehe
Bis in die Mitternacht, immer bestehet ein Maß,
Allen gemein, doch jeglichem auch ist eignes beschieden,
Dahin gehet und kommt jeder, wohin er es kann.
Drum! und spotten des Spotts mag gern frohlockender Wahnsinn,
Wenn er in heiliger Nacht plötzlich die Sänger ergreift.
Drum an den Isthmos komm! dorthin, wo das offene Meer rauscht
Am Parnaß und der Schnee delphische Felsen umglänzt,
Dort ins Land des Olymps, dort auf die Höhe Cithärons,
Unter die Fichten dort, unter die Trauben, von wo
Thebe drunten und Ismenos rauscht im Lande des Kadmos,
Dorther kommt und zurück deutet der kommende Gott.

4
Seliges Griechenland! du Haus der Himmlischen alle,
Also ist wahr, was einst wir in der Jugend gehört?
Festlicher Saal! der Boden ist Meer! und Tische die Berge,
Wahrlich zu einzigem Brauche vor alters gebaut!
Aber die Thronen, wo? die Tempel, und wo die Gefäße,
Wo mit Nektar gefüllt, Göttern zu Lust der Gesang?
Wo, wo leuchten sie denn, die fernhintreffenden Sprüche?
Delphi schlummert und wo tönet das große Geschick?
Wo ist das schnelle? wo brichts, allgegenwärtigen Glücks voll,
Donnernd aus heiterer Luft über die Augen herein?
Vater Aether! so riefs und flog von Zunge zu Zunge
Tausendfach, es ertrug keiner das Leben allein;
Ausgeteilet erfreut solch Gut und getauschet, mit Fremden,
Wirds ein Jubel, es wächst schlafend des Wortes Gewalt:
Vater! heiter! und hallt, so weit es gehet, das uralt
Zeichen, von Eltern geerbt, treffend und schaffend hinab.
Denn so kehren die Himmlischen ein, tiefschütternd gelangt so
Aus den Schatten herab unter die Menschen ihr Tag.

5
Unempfunden kommen sie erst, es streben entgegen
Ihnen die Kinder, zu hell kommet, zu blendend das Glück,
Und es scheut sie der Mensch, kaum weiß zu sagen ein Halbgott,
Wer mit Namen sie sind, die mit den Gaben ihm nahn.
Aber der Mut von ihnen ist groß, es füllen das Herz ihm
Ihre Freuden und kaum weiß er zu brauchen das Gut,
Schafft, verschwendet und fast ward ihm Unheiliges heilig,
Das er mit segnender Hand törig und gütig berührt.
Möglichst dulden die Himmlischen dies; dann aber in Wahrheit
Kommen sie selbst und gewohnt werden die Menschen des Glücks
Und des Tags und zu schaun die Offenbaren, das Antlitz
Derer, welche, schon längst Eines und Alles genannt,
Tief die verschwiegene Brust mit freier Genüge gefüllet,
Und zuerst und allein alles Verlangen beglückt;
So ist der Mensch; wenn da ist das Gut, und es sorget mit Gaben
Selber ein Gott für ihn, kennet und sieht er es nicht.
Tragen muß er, zuvor; nun aber nennt er sein Liebstes,
Nun, nun müssen dafür Worte, wie Blumen, entstehn.

6
Und nun denkt er zu ehren in Ernst die seligen Götter,
Wirklich und wahrhaft muß alles verkünden ihr Lob.
Nichts darf schauen das Licht, was nicht den Hohen gefället,
Vor den Aether gebührt Müßigversuchendes nicht.
Drum in der Gegenwart der Himmlischen würdig zu stehen,
Richten in herrlichen Ordnungen Völker sich auf
Untereinander und baun die schönen Tempel und Städte
Fest und edel, sie gehn über Gestaden empor –
Aber wo sind sie? wo blühn die Bekannten, die Kronen des Festes?
Thebe welkt und Athen; rauschen die Waffen nicht mehr
In Olympia, nicht die goldnen Wagen des Kampfspiels,
Und bekränzen sich denn nimmer die Schiffe Korinths?
Warum schweigen auch sie, die alten heilgen Theater?
Warum freuet sich denn nicht der geweihete Tanz?
Warum zeichnet, wie sonst, die Stirne des Mannes ein Gott nicht,
Drückt den Stempel, wie sonst, nicht dem Getroffenen auf?
Oder er kam auch selbst und nahm des Menschen Gestalt an
Und vollendet’ und schloß tröstend das himmlische Fest.

7
Aber Freund! wir kommen zu spät. Zwar leben die Götter,
Aber über dem Haupt droben in anderer Welt.
Endlos wirken sie da und scheinens wenig zu achten,
Ob wir leben, so sehr schonen die Himmlischen uns.
Denn nicht immer vermag ein schwaches Gefäß sie zu fassen,
Nur zu Zeiten erträgt göttliche Fülle der Mensch.
Traum von ihnen ist drauf das Leben. Aber das Irrsal
Hilft, wie Schlummer, und stark machet die Not und die Nacht,
Bis daß Helden genug in der ehernen Wiege gewachsen,
Herzen an Kraft, wie sonst, ähnlich den Himmlischen sind.
Donnernd kommen sie drauf. Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.

8
Nämlich, als vor einiger Zeit, uns dünket sie lange,
Aufwärts stiegen sie all, welche das Leben beglückt,
Als der Vater gewandt sein Angesicht von den Menschen,
Und das Trauern mit Recht über der Erde begann,
Als erschienen zuletzt ein stiller Genius, himmlisch
Tröstend, welcher des Tags Ende verkündet’ und schwand,
Ließ zum Zeichen, daß einst er da gewesen und wieder
Käme, der himmlische Chor einige Gaben zurück,
Derer menschlich, wie sonst, wir uns zu freuen vermöchten,
Denn zur Freude, mit Geist, wurde das Größre zu groß
Unter den Menschen und noch, noch fehlen die Starken zu höchsten
Freuden, aber es lebt stille noch einiger Dank.
Brot ist der Erde Frucht, doch ists vom Lichte gesegnet,
Und vom donnernden Gott kommet die Freude des Weins.
Darum denken wir auch dabei der Himmlischen, die sonst
Da gewesen und die kehren in richtiger Zeit,
Darum singen sie auch mit Ernst, die Sänger, den Weingott
Und nicht eitel erdacht tönet dem Alten das Lob.

9
Ja! sie sagen mit Recht, er söhne den Tag mit der Nacht aus,
Führe des Himmels Gestirn ewig hinunter, hinauf,
Allzeit froh, wie das Laub der immergrünenden Fichte,
Das er liebt, und der Kranz, den er von Efeu gewählt,
Weil er bleibet und selbst die Spur der entflohenen Götter
Götterlosen hinab unter das Finstere bringt.
Was der Alten Gesang von Kindern Gottes geweissagt,
Siehe! wir sind es, wir; Frucht von Hesperien ists!
Wunderbar und genau ists als an Menschen erfüllet,
Glaube, wer es geprüft! aber so vieles geschieht,
Keines wirket, denn wir sind herzlos, Schatten, bis unser
Vater Aether erkannt jeden und allen gehört.
Aber indessen kommt als Fackelschwinger des Höchsten
Sohn, der Syrier, unter die Schatten herab.
Selige Weise sehns; ein Lächeln aus der gefangnen
Seele leuchtet, dem Licht tauet ihr Auge noch auf.
Sanfter träumet und schläft in Armen der Erde der Titan,
Selbst der neidische, selbst Cerberus trinket und schläft.

Quelle:
Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke. 6 Bände, Band 2, Stuttgart 1953, S. 93-99.
Permalink: http://www.zeno.org/nid/20005104920

landschap
bayrisches hochland

7. Stuttgart

An Siegfried Schmid

1
Wieder ein Glück ist erlebt. Die gefährliche Dürre geneset,
Und die Schärfe des Lichts senget die Blüte nicht mehr.
Offen steht jetzt wieder ein Saal, und gesund ist der Garten,
Und von Regen erfrischt rauschet das glänzende Tal,
Hoch von Gewächsen, es schwellen die Bäch und alle gebundnen
Fittige wagen sich wieder ins Reich des Gesangs.
Voll ist die Luft von Fröhlichen jetzt und die Stadt und der Hain ist
Rings von zufriedenen Kindern des Himmels erfüllt.
Gerne begegnen sie sich, und irren untereinander,
Sorgenlos, und es scheint keines zu wenig, zu viel.
Denn so ordnet das Herz es an, und zu atmen die Anmut,
Sie, die geschickliche, schenkt ihnen ein göttlicher Geist.
Aber die Wanderer auch sind wohlgeleitet und haben
Kränze genug und Gesang, haben den heiligen Stab
Vollgeschmückt mit Trauben und Laub bei sich und der Fichte
Schatten; von Dorfe zu Dorf jauchzt es, von Tage zu Tag,
Und wie Wagen, bespannt mit freiem Wilde, so ziehn die
Berge voran und so träget und eilet der Pfad.

2
Aber meinest du nun, es haben die Tore vergebens
Aufgetan und den Weg freudig die Götter gemacht?
Und es schenken umsonst zu des Gastmahls Fülle die Guten
Nebst dem Weine noch auch Beeren und Honig und Obst?
Schenken das purpurne Licht zu Festgesängen und kühl und
Ruhig zu tieferem Freundesgespräche die Nacht?
Hält ein Ernsteres dich, so spars dem Winter und willst du
Freien, habe Geduld, Freier beglücket der Mai.
Jetzt ist Anderes not, jetzt komm und feire des Herbstes
Alte Sitte, noch jetzt blühet die Edle mit uns.
Eins nur gilt für den Tag, das Vaterland, und des Opfers
Festlicher Flamme wirft jeder sein Eigenes zu.
Darum kränzt der gemeinsame Gott umsäuselnd das Haar uns,
Und den eigenen Sinn schmelzet, wie Perlen, der Wein.
Dies bedeutet der Tisch, der geehrte, wenn, wie die Bienen,
Rund um den Eichbaum, wir sitzen und singen um ihn,
Dies der Pokale Klang, und darum zwinget die wilden
Seelen der streitenden Männer zusammen der Chor.

3
Aber damit uns nicht, gleich Allzuklugen, entfliehe
Diese neigende Zeit, komm ich entgegen sogleich,
Bis an die Grenze des Lands, wo mir den lieben Geburtsort
Und die Insel des Stroms blaues Gewässer umfließt.
Heilig ist mir der Ort, an beiden Ufern, der Fels auch,
Der mit Garten und Haus grün aus den Wellen sich hebt.
Dort begegnen wir uns; o gütiges Licht! wo zuerst mich
Deiner gefühlteren Strahlen mich einer betraf.
Dort begann und beginnt das liebe Leben von neuem;
Aber des Vaters Grab seh ich und weine dir schon?
Wein und halt und habe den Freund und höre das Wort, das
Einst mir in himmlischer Kunst Leiden der Liebe geheilt.
Andres erwacht! ich muß die Landesheroen ihm nennen,
Barbarossa! dich auch, gütiger Christoph, und dich,
Konradin! wie du fielst, so fallen Starke, der Efeu
Grünt am Fels und die Burg deckt das bacchantische Laub,
Doch Vergangenes ist, wie Künftiges, heilig den Sängern,
Und in Tagen des Herbsts sühnen die Schatten wir uns.

4
So der Gewaltgen gedenk und des herzerhebenden Schicksals,
Tatlos selber, und leicht, aber vom Aether doch auch
Angeschauet und fromm, wie die Alten, die göttlicherzognen
Freudigen Dichter ziehn freudig das Land wir hinauf.
Groß ist das Werden umher. Dort von den äußersten Bergen
Stammen der Jünglinge viel, steigen die Hügel herab.
Quellen rauschen von dort und hundert geschäftige Bäche,
Kommen bei Tag und Nacht nieder und bauen das Land.
Aber der Meister pflügt die Mitte des Landes, die Furchen
Ziehet der Neckarstrom, ziehet den Segen herab.
Und es kommen mit ihm Italiens Lüfte, die See schickt
Ihre Wolken, sie schickt prächtige Sonnen mit ihm.
Darum wächset uns auch fast über das Haupt die gewaltge
Fülle, denn hieher ward, hier in die Ebne das Gut
Reicher den Lieben gebracht, den Landesleuten, doch neidet
Keiner an Bergen dort ihnen die Gärten, den Wein
Oder das üppige Gras und das Korn und die glühenden Bäume,
Die am Wege gereiht über den Wanderern stehn.

5
Aber indes wir schaun und die mächtige Freude durchwandeln,
Fliehet der Weg und der Tag uns, wie den Trunkenen, hin.
Denn mit heiligem Laub umkränzt erhebet die Stadt schon,
Die gepriesene, dort leuchtend ihr priesterlich Haupt.
Herrlich steht sie und hält den Rebenstab und die Tanne
Hoch in die seligen purpurnen Wolken empor.
Sei uns hold! dem Gast und dem Sohn, o Fürstin der Heimat!
Glückliches Stuttgart, nimm freundlich den Fremdling mir auf!
Immer hast du Gesang mit Flöten und Saiten gebilligt,
Wie ich glaub, und des Lieds kindlich Geschwätz und der Mühn
Süße Vergessenheit bei gegenwärtigem Geiste,
Drum erfreuest du auch gerne den Sängern das Herz.
Aber ihr, ihr Größeren auch, ihr Frohen, die allzeit
Leben und walten, erkannt, oder gewaltiger auch,
Wenn ihr wirket und schafft in heiliger Nacht und allein herrscht
Und allmächtig empor ziehet ein ahnendes Volk,
Bis die Jünglinge sich der Väter droben erinnern,
Mündig und hell vor euch steht der besonnene Mensch –

6

Engel des Vaterlands! o ihr, vor denen das Auge,
Seis auch stark, und das Knie bricht dem vereinzelten Mann,
Daß er halten sich muß an die Freund und bitten die Teuern,
Daß sie tragen mit ihm all die beglückende Last,
Habt, o Gütige, Dank für den und alle die Andern,
Die mein Leben, mein Gut unter den Sterblichen sind.
Aber die Nacht kommt! laß uns eilen, zu feiern das Herbstfest
Heut noch! voll ist das Herz, aber das Leben ist kurz,
Und was uns der himmlische Tag zu sagen geboten,
Das zu nennen, mein Schmid! reichen wir beide nicht aus.
Treffliche bring ich dir und das Freudenfeuer wird hoch auf
Schlagen und heiliger soll sprechen das kühnere Wort.
Siehe! da ist es rein! und des Gottes freundliche Gaben,
Die wir teilen, sie sind zwischen den Liebenden nur.
Anderes nicht – o kommt! o macht es wahr! denn allein ja
Bin ich und niemand nimmt mir von der Stirne den Traum?
Kommt und reicht, ihr Lieben, die Hand! das möge genug sein,
Aber die größere Lust sparen dem Enkel wir auf.

Quelle:
Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke. 6 Bände, Band 2, Stuttgart 1953, S. 89-93.
Permalink: http://www.zeno.org/nid/20005104912

landschap
bayrisches hochland

8. Erntezeit

Reif sind, in Feuer getaucht, gekochet
Die Frucht und auf der Erde geprüfet, und ein Gesetz ist,
Daß alles hineingeht, Schlangen gleich,
Prophetisch, träumend auf
Den Hügeln des Himmels. Und vieles,
Wie auf den Schultern eine
Last von Scheitern, ist
Zu behalten. Aber bös sind
Die Pfade. Nämlich unrecht,
Wie Rosse, gehn die gefangenen
Element’ und alten
Gesetze der Erd. Und immer
Ins Ungebundene gehet eine Sehnsucht. Vieles aber ist
Zu behalten. Und not die Treue.
Vorwärts aber und rückwärts wollen wir
Nicht sehn. Uns wiegen lassen, wie
Auf schwankendem Kahne der See.

https://www.gedichte-lyrik-online.de/hoelderlin_friedrich-gedicht_839-erntezeit.html

Kunst als toegang tot een sacrale dimensie van de werkelijkheid?

Kunst als toegang tot een sacrale dimensie van de werkelijkheid?

Jede Epoche geht mit einer Gestalt des Göttlichen einher, die sich, jedes Mal aufs Neue, in einem Idol festmacht.

 Jean-Luc Marion

Een kunstwerk dat de bedoeling heeft om het goddelijke of iets van het goddelijke te verbeelden loopt het gevaar om een idool te worden. Is dat erg? Wordt het goddelijke daarmee als het ware tekort gedaan? Het beeld als afgodsbeeld? Iets waar een duidelijk verbod op rust vanuit de schrift. Zijn de afbeeldingen van Maria met kind en de andere veelsoortige verbeeldingen van de heiligen afgodsbeelden? Zijn het idolen? Soms lijkt dat er wel op: plaatsen met bijvoorbeeld zwarte madonna’s die miljoenen pelgrims aantrekken, en de lichtere variant van Maria in Lourdes, Fatima, Den Bosch en in elke kerk waar een Mariabeeld staat met kaarsenstandaard en gebedenboek. Maar wordt een beeld, een afbeelding vereerd, aanbeden, als godheid behandeld of is het beeld een verwijzing naar een werkelijkheid die hier achter schuil gaat: de persoon van Maria zelf die wij hebben leren kennen uit de verhalen over haar. En nog iets meer afgeleid hiervan, de vaak wonderbaarlijke gebeurtenissen, die worden verteld en die samenhangen met de vondst en verering van een beeld(je) of prent van Maria. Wat vindt hier plaats? Wat gebeurt hier werkelijk? Vanuit een protestantse kijk op de zaak lijkt het al gauw dat het bijbelse verbod van de afbeelding van het goddelijke met voeten wordt getreden. Het is ook verdomd lastig om de verleiding te weerstaan om bijbelse verhalen niet op de een of andere wijze in beeld te brengen – er beelden van te ontwerpen. Want de woorden, de verhalen blijven beter hangen als ze gekoppeld worden aan een beeld – als ze worden verbeeld in bijvoorbeeld een schilderij, prent of beeld. Het is de vrijheid van de kunstenaar om de opgedane ervaringen met dit verhaal en de emoties die hij daarbij ervaart, uit te beelden. Verwezen de reusachtige standbeelden in de Griekse en Romeinse tempels direct naar een god, in het christendom heeft men op bijbelse gronden nooit een poging ondernomen om het beeld een goddelijke status toe te kennen. Het gaat niet om het beeld of de verbeelding, maar om de werkelijkheid daarachter. Maar wat is dat dan voor een werkelijkheid? Is het slechts een duiding van de sacrale krachten, de werking van de goddelijke personen in of achter de werkelijkheid? Bidden tot Maria, tot Jezus, tot God, of tot een heilige om iets te verkrijgen, om te worden verhoord, gehoord? Hopen dat het gebed ergens aan raakt, binnenkomt, wordt gehoord en misschien ook nog vervuld? Hier stuiten we duidelijk op een grens. We zijn niet echt in staat om ons een voorstelling te maken van dit sacrale of goddelijke fenomeen waartoe wij bidden, want elke voorstelling is eigenlijk al idolatrie. Elk beeld schiet tekort en de verabsolutering van de waarheid van een dergelijk beeld is niet meer en niet minder afgodendienst. Daarom misschien is het concrete beeld voor velen dan ook genoeg, neemt men genoegen met bijvoorbeeld het Mariabeeld dat in de kerk staat opgesteld. Dan heb je in ieder geval wat om te gebeden aan op te dragen – niet aan het beeld maar aan de verbeelde werkelijkheid van Maria daarachter. Hebben de protestantse beeldenstormers in hun furie dit niet goed begrepen toen zij kerk na kerk van hun beelden hebben ontdaan? Waren ze zo hardnekkig ervan overtuigd dat de katholieken beelden vereerden in plaats van de werkelijkheid van het goddelijke waar deze beelden naar verwijzen? Kortom hebben ze niet genoeg nagedacht voordat zij kunstwerken van eeuwen zomaar op de brandstapel hebben gegooid in hun furieuze ijver?

Jean-Luc Marion, een Franse filosoof heeft een boeiend boek geschreven met de titel ‘God zonder zijn’ – een filosofische analyse van ons beeld van God en onze opvattingen over God in relatie tot de verbeelding van het goddelijke. Het begrip idool en idolatrie staat centraal in zijn denken en hij laat zien dat het idool ook anders kan worden benaderd dan alleen maar vanuit een negatieve gepreoccupeerde houding. Hij schrijft:

“Die Gestalt des Idols abzubilden, läuft dies nicht darauf hinaus, die Karikatur, die es angeblich vom Göttlichen liefert, nur wieder auf es selbst anzuwenden? Doch das Idol hat genau genommen gar nichts Verzerrendes, Täuschendes oder Trügerisches an sich. Es zeigt nur das, was es sieht. Dass das eidōlon in direkter Weise durch das *eidō eingesetzt und an dieses gebunden ist, gibt uns nicht nur einen Hinweis auf eine neutrale und belanglose etymologische Tatsache, sondern spiegelt uns auch sehr genau ein grundlegendes Paradox wider. Das Idol zeigt das, was es sieht. Es zeigt das, was tatsächlich den Raum des Sichtbaren einnimmt, ohne irgendeine Betrügerei oder Täuschung, aber was diesen zugleich auch nur ausgehend vom Sehen selbst besetzt. Das Idol liefert dem Sehen das Bild dessen, was es sieht.“ (Jean-Luc Marion, Gott ohne Sein, Paderborn, München, Wien, Zürich 2014 (Ferdinand Schöning) p. 50)

Het idool laat zien wat het is. Het levert de waarneming van de toeschouwer precies wat hij ziet: een beeld. Het idool werpt de toeschouwer terug op zichzelf. Het idool vormt zo volgens Marion een soort van spiegel waarin de mens zichzelf ziet als maker van dit beeld en als betekenisgever die voor het tot stand komen van dit beeld en het gebruik ervan gezorgd heeft. Het idool is niet goddelijk. Wij zijn inmiddels geen mensen meer die naar een tempel gaan om reusachtige afgodsbeelden te vereren. Wij zijn ons bewust van het feit dat idolatrie verboden is en dat het nergens toe leidt. “We zijn niet gek”. Het idool is niet zelf een verbeelding van God zelf of het goddelijke maar een poging om zich een idee te vormen van God en het goddelijke. Wat is een idee? Ik vermoed dat de uitspraak “ik heb er geen idee van” nog het dichtst in de buurt komt: “Ahnung” in het Duits, een vermoeden, een intuïtie die op kunstzinnige wijze gestalte krijgt in een object. Het is een verbeelding van het proces en het eindresultaat van het denken van de beschouwer, de kunstenaar, degene die het idool schept. Het product, het eindresultaat ligt helemaal aan deze zijde van het bestaan en heeft géén voet in de sacrale werkelijkheid. Het is geen object als onderdeel van een ritueel in Voudou/Voodoo waarbij ingezet wordt op een effect via de werkzame krachten van de aangeroepen goden. Als je het idool goddelijk maakt, goddelijke eigenschappen toekent zegt dat meer over jezelf dan over het beeld. De bijbelse Profeet Jesaja kan daar prachtig cynisch over spreken als hij deze houten beeltenissen en beelden van aardewerk belachelijk maakt en daarmee de makers en de aanbidders. Het idool markeert dus een grens, het maakt een grens zichtbaar die niet kan worden overschreden, het goddelijke en de goddelijke werkelijkheid – hoe die dan ook gestalte mogen krijgen – worden absoluut buitengesloten. Het idool is een soort van grenspost. Tot hier en niet verder. De blik op wat daarachter ligt is verhinderd. Het idool kaatst terug, het is een spiegel waarin de grensganger kijkt en niet verder kan. Hij ziet zichzelf.

Marion zet vervolgens een tweede stap en beschrijft ook hoe onze begrippen in bijvoorbeeld de metafysica van God een vorm van idolatrie kunnen worden als wij God vastpinnen op eigenschappen of op een beschrijving (denk aan Aristoteles, de onbewogen beweger, God als de oorzaak van zichzelf etc.). Tegen de achtergrond van “de dood van God” bij Friedrich Nietzsche en de filosofie van het zijn van Martin Heidegger laat hij zien dat ook ‘het zijn’ een soort van projectiescherm kan worden waarop wij God proberen af te beelden. Ook dat is tot mislukken gedoemd. Marion verwijst naar Exodus 3,14 waar God zijn naam bekend maakt en waarin eigenlijk niets gezegd wordt over God in zake zijn identiteit: “Was auch die biblische Offenbarung, auf ihre Weise, zu bestätigen oder zumindest anzudeuten scheint, wenn sie das unter demselben Namen zum Ausdruck bringt, was man als Sum qui sum verstehen kann (aber nicht verstehen muss), also Gott als Sein, und was man zugleich, im selben Augenblick, als eine Verneinung jeder Identität verstehen muss – ,,Ich bin, der ich bin”. Das Sein sagt nichts über Gott, was Gott nicht zugleich zurückweisen kann. Das Sein, sogar und vor allem in Exodus 3,14, sagt nichts über Gott; oder nichts über ihn, was ihn bestimmen würde.“ De conclusie luidt: God laat zich niet denken. Ons begrippenapparaat geeft ons geen waarheid in handen omtrent God, onze taal schiet te kort en ons denken is niet in staat om God te vatten. Het klopt dat Exodus 3,14 niet over de identiteit gaat van God. Maar ook de tegenwoordige tijd van de uitdrukking in de naam van God is niet zonder meer evident. In tegenstelling tot veel theologen leest de Franse rabbijn en filosoof Marc Alain Ouaknin het vers uit Exodus 3,14 in een andere tijdsvorm, ik citeer: “God legt uit wat hij van Mozes verwacht: dat hij het volk van de Hebreeërs zou bevrijden uit hun slavernij in Egypte. En Mozes antwoordt dat de Hebreeërs hem zullen vragen: ‘Wat is zijn naam?’, ‘Wat is de naam van die god die jou naar ons stuurt?’ En God antwoordt: ‘Je zult hen zeggen dat ik Ehejeh asjer ehejeh heet’, letterlijk ‘ik zal zijn wat ik zal zijn’, wat heel wat vertalingen weergeven door ‘ik ben hij die is’, een onmogelijke vertaling, zoals ik al zei, omdat het werkwoord ‘zijn’ in feite in het Hebreeuws niet bestaat in de tegenwoordige tijd, uitgezonderd die ene keer in Exodus 9:3. Het koppelen van de eerste ‘ik zal zijn’ met de tweede ‘ik zal zijn’ gebeurt door het ‘betrekkelijk voornaamwoord’ (asjer) dat ook ‘geluk’ betekent (osjer)!”

Ouaknin zet hiermee een in de ogen van christelijke theologen een gedurfde stap. Door de verwisseling van klinkers wordt asjer osjer. Wat = geluk. Velen zullen dit misschien als een vorm van ‘heiligschennis’ beschouwen om de tekst zo aan te passen maar in de Joodse rabbijnse traditie is het een geaccepteerde wijze van tekst verklaren en van betekenissen onderzoeken op basis van verwisseling van klinkers. Maar dit terzijde. Veel belangrijker is de dimensie die ten aanzien van God en zijn werken zo aan het licht komt: ruimte in de tijd, ruimte in het begrijpen, ruimte in het verstaan van God en de goddelijke werkelijkheid. Ouaknin schrijft: “De naam van God kan geen ‘ik ben’ zijn, maar enkel een ‘ik zal zijn’, de spanning van een project, een zich inschrijven in de dynamiek van een toekomst die zich opent, ‘daarginds’ (sjam), een woord dat ook naam’ (sjem) betekent en ‘hemel’, die men in het Hebreeuws uitdrukt als ‘twee daargindsen’ (sjamaj’im)!

God is geluk, niet omdat hij God is, maar omdat hij het werkwoord zijn is in zijn toekomstige modaliteit, en ons naar analogie inschrijft in het engagement, project en toekomstproject!

Wat de Bijbeltekst in een schitterende semantische vergelijking weergeeft. Het ‘geluk’, osjer, is het hart van de uitdrukking ‘Ehejeh asjer ehejeh’, die men zo kan openvouwen in een dubbele formulering die de gelijkstelling verduidelijkt tussen het werkwoord ‘zijn’ in de toekomst en ‘het geluk’.”

 

In de naam van God worden wij ingeschreven, onze existentie en onze toekomst komen erin tot uitdrukking als mogelijkheid, een kans die God zelf in onze handen legt. Dat is eigenlijk openbaring in optima forma. Niet het vastleggen van God op een betekenis, niet je hoop vestigen op een waarheid die vastligt, die grijpbaar en verdedigbaar is, maar het aangaan van een reis, het starten van een project in de Naam van God wordt hier aangekondigd. Zoals de bevrijding uit het land van slavernij, de doortocht door de zee op weg naar de woestijn, zo is de reis met God, weg uit de vastomlijnde betekenissen die als een gevangenis kunnen werken. De algemeenheden, de waarheden waarmee de religieuze leiders hun volgelingen om de oren slaan. Misschien is het wel de taak van de kunstenaar om deze projecten, deze vorm van reizen, deze open toekomst uit te beelden en vorm te geven in een kunstwerk. Een vingerwijzing naar het sacrale dat uitloopt op ons geluk, op mijn en jouw geluk. Een landschap waarin het goed dwalen, waarin het goed toeven is, omdat God wenkt, omdat de reis zelf de vervulling is van zijn naam. Een reis die je niet in je eentje maakt. Een reis die de kunstenaar vervoert en inspireert om zijn ervaringen uit te drukken. Dat is misschien ook wat uiteindelijk op het spel staat bij elk gebed: geluk! Vervulling van de belofte om iets van het geluk te mogen ervaren in dit leven. Kunst als vorm van bidden, een eigentijds en telkens weer anders gebed.

 

John Hacking

29 september 2017

Citaten uit:

  • Jean-Luc Marion, Gott ohne Sein, Paderborn, München, Wien, Zürich 2014 (Ferdinand Schöning)
  • Ouaknin, Marc-Alain, ¿, God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)

sacrale dimensie

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

 

Passion in yellow

passion

Passion in yellow – pigments, sumi-e, ink on paper 70×100 cm June 2017

Passion in Yellow: a try out to paint the suffering of Jesus Christ during his passion – a study with pigments, ink on paper.

PRACHTIG

Beroemd maar dood vroeg hij: en
wat bleef er van mij over?

Ik wees op een losse regel
een uit zijn verband gerukt citaat
meestal toegeschreven aan een ander.

Voetafdruk op een verlaten strand
Vol lege, uitgewoonde schelpen.

Prachtig is de onsterfelijkheid
maar wat doen wij in de tussentijd?

Bernlef

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

Faces of passion

Faces of Passion – faces of Jesus during his passion

9 Gezichten van Jezus tijdens zijn lijden aan de hand van het evangelie van Matheus

Faces of the passion

Yo sólo me mire
por cosa de muerto;
solo, desolado,
como en un desierto.

A mí venga el lloro,
pues debo penar.

Ik zie mezelf
als een dode zaak;
alleen, verlaten
zoals in een woestijn.

Het huilen komt tot mij,
want ik moet lijden.

José Gorostiza
uit: La orilla del mar – De oever van de zee
in: Gorostiza, José, Bootgesänge / Canciones para cantar en las barcas. Gedichte, Aachen 1999 (Rimbaud)

 

9 faces of passion of Jezus Christ

30×40 cm sumi-e on paper and pigments (May 2017)

passion

Gezalfd – Anointed Math 26,7

maaltijd
Maaltijd – Meal Math 26,23

tuin
Tuin – Getsemane Math 26,39

kus
Kus – Kissed by Judas Math 26,49

bij pilatus
Voor Pilatus – Before Pilatus – ecce homo – Math 27,24

muur
Muur – Mocked Math 27,29

ontkleed
Ontkleed – Undressed Math 27,34

kruis
Kruis – at the cross Math 27,50

graf
Graf – Grave Math 27,60



48×36 cm pigments, sumi-e on paper May 2017

3 faces of the passion of Jezus Christ

kissed
Kissed by Judas Math 26,49
muur
On the wall – Mocked Math 27,29
kruis
at the cross Math 27,50

 

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

Schilderen als verhalen vertellen

verhalen
verhalen
Anselm Kiefer

Schilderen als verhalen vertellen – licht zoeken

‘De enige echte reis, het echte bad van de eeuwige jeugd, is niet nieuwe landschappen opzoeken, maar andere ogen hebben, het universum zien met de ogen van een ander, van honderd anderen’, de honderd universums zien die elk van hen ziet, die elk van hen is…’

M.A. Ouaknin

Anselm Kiefer vertelt verhalen. Deze Duitse schilder is een verhalenverteller. Hij noemt zichzelf kunstenaar, niet schilder. Zijn schilderijen zijn verbeeldingen van zijn gedachten, zijn emoties en zijn impressies. Alchemie, Kabbala, mystiek, geschiedenis, natuurkunde, het zijn de thema’s in zijn werk. Het zijn ook verhalen van anderen. Verhalen uit een lange geschiedenis, sinds het ontstaan van het universum. Voor hem geldt wat ook in de alchemie ter sprake komt: in het groot zoals in het klein, en omgekeerd. De kosmos, het universum is ook aanwezig in elk individu, in elk mens. God in het groot, in de kosmos, is ook God in de persoonlijke existentiële ervaring. Het is dezelfde. Het is hetzelfde, alleen het perspectief is anders, de bril waarmee je wilt kijken verschilt.
In feite is veel herhaling, veel is iets wat terugkeert. Herinnering, ervaring zouden niet mogelijk zijn zonder die herhaling. Ware dit niet zo, zou herkenning niet fundamenteel zijn in ons denken en ons waarnemen, dan zouden wij ons steeds in nieuwe situaties én onbekende situaties bevinden. We zouden dan telkens weer op verkenning moeten uitgaan, ons oriënteren, de weg zoeken, de weg proberen te vinden. Ik vermoed dat dát met heel veel onzekerheid en gevoelens van onveiligheid gepaard zou gaan. Nooit thuis zijn, nooit op bekende grond, nooit herkenning en dus ook erkenning, want de situatie die vertrouwd is, is ook een vorm van erkenning van jouw waarneming en jouw welbevinden. Alles telkens nieuw, dat houdt geen mens vol.

Kiefer: “siehe giorgio agamben: erfahrung bedeutet, die kindheit als transzendentale heimat der geschichte wiederfinden…” De jeugd, de kindertijd vormt het amalgaam van je gebundelde ervaringen die bij tijd en wijlen boven komen drijven en die soms aangestipt worden door iets wat in de actualiteit gebeurt. Herinneringen komen bovendrijven. Herinneringen worden verhalen en verhalen geven ons een context om ons zelf te verstaan en om in te leven. Misschien erven we het zelfs over, die ervaringen,herinneringen, emoties en gewaarwordingen?
Daarom vertellen we ook verhalen: ze roepen nieuwe dingen op in vertrouwde contexten. Vertrouwd is het landschap, de omgeving, het gegevene. Er zijn altijd nieuwe elementen in een verhaal, nieuwe perspectieven, nieuwe vormen van betekenisgeving, maar die kunnen pas oplichten tegen de achtergrond van het bekende, het herkende en het vertrouwde. Neem deze tekst. Zou je nooit een letter hebben gezien, nooit hebben kunnen leren schrijven en lezen, dan zouden dit slechts wat zwarte vlekken zijn. Maar nu je kunt lezen en daar ga ik vanuit, en zelfs Nederlands, en je hebt een voorstellingsvermogen, je kunt je voorstellen wat hier geschreven staat, je snapt het, je ervaart het en het zet je misschien aan tot verder denken, ontstaat er iets, gebeurt er iets, komt een verhaal, een tekst, een geschiedenis tot leven.

Anselm Kiefer is ervan overtuigd dat je als kunstenaar voortdurend de ervaringen herhaalt die je hebt opgedaan in je jeugd. Ze keren in nieuwe gedaantes terug, in nieuwe verhalen, in nieuwe contexten, maar eigenlijk is het herkenning en is het herhaling. Daar is niets mis mee. Misschien kunnen we ook niet anders. Indrukken van toen waren zo bijzonder omdat je nog niet zoveel ‘vooroordelen’ had misschien, meer open stond voor de wereld, dat ze je een leven lang blijven begeleiden.
Is dat erg. Nee. Ik denk van niet. Iets totaal nieuws bedenken, uitvinden, ontwerpen, ga er maar aan staan. Het moet ergens vandaan komen. Zelfs ‘genade’ komt uit de hemel gevallen en is niet op aarde op te graven tussen het gesteente van de eeuwenoude rotsen. Alles heeft een plek en dus een oorsprong, ook het nieuwe. Het nieuwe rust op en bouwt voort op het oude. Zoals wij spreken met woorden die wij hebben geleerd en die velen voor ons hebben gesproken en gebezigd om hun ervaringen tot uitdrukking te brengen.

El fulgor
El fulgor 25

Citeren

‘In mijn commentaren heb ik vaak benadrukt dat het voor de Talmoed belangrijk is om te weten wie onderwezen heeft, wie een uitspraak gedaan heeft en wie deze of gene waarheid heeft doorgegeven.
Het schijnt belangrijk te zijn, heb ik gezegd bij iedere uitspraak de persoon van de auteur te bewaren: niet alleen om te onderstrepen dat iedere waarheid mogelijkerwijs een subjectief karakter heeft, maar ook om in het universele niet het wonder en het inzicht van het persoonlijke verloren te laten gaan, om het domein van het ware niet te transformeren tot het rijk van het anonieme.’

Emmanuel Levinas (geciteerd in Ouaknin)

 

Als er niet zoveel nieuw is in de wereld, niet zoveel echt nieuw hoeven we daar niet onder te lijden. Waarom niet? Omdat elk bestaande tekst, elk bestaand object, elke handeling, elk woord, elke gedachte, meer lagen heeft. Niets en niemand is te vangen in één en eenduidig begrip alsof er geen diepere betekenissen, alsof er geen diepere lagen zijn. Alles is, zo vermoed ik, meerduidig, vanuit meer perspectieven te bekijken, afhankelijk van de bril die je wilt opzetten. Anselm Kiefer is zijn hele leven al op die manier bezig: zijn schilderijen en beelden verkennen de betekenissen, diepen ze uit, nuanceren ze, halen er fragmenten uit die weer nieuwe betekenissen vormen etc. etc. Een proces dat nooit af is. Hij vindt objecten die zijn verhaal illustreren, haalt ze door baden met zuren, past electrolyse toe en onderwerpt ze aan andere procedures, zodat de objecten veranderen. Zowel van gestalte, van vorm en van kleur. Hij citeert op die wijze geschiedenisverhalen, oorlogen, ondergang, hoopvolle dimensies en wanhopige dimensies uit de menselijke cultuur zodat een nieuw beeldverhaal ontstaat. Reflectie op gedichten van Celan, Hölderlin, Rilke, het keert allemaal terug in zijn werk. Soms schrijft hij namen bij de beelden die hij maakt, extra duiding, extra tekens die een weg in het verhaal moeten wijzen. Hij heeft boeken gemaakt van verzamelde fragmenten, geknipte, ingekorte schilderijen, als nieuwe lectuur – een eigen verhaal, een eigen geschiedenis, citeren op een nieuwe wijze met oude en verwijzende tekens.

Als reactie op deze uitspraak: “ Wie ein Haufen von geradehin Ausgeschüttetem ist der schönste Kosmos” zegt Kiefer:
“das ist ein schönes bild: der kosmos als ausgeschüttetes, wie ein Kind, das seine spieltruhe ausschüttet. mal sehen, was kommt, wenn ich nicht mehr weiterweiss, schütte ich die dinge, sei es heisses, flüssiges blei oder dünne farbe, auf das bild.” Nieuw ontstaat uit door wat op het eerste gezicht chaos lijkt: een bad, een overgieten met verf van een beeld, een schilderij. Kiefer: “Ein künstler ist immer auch ein ikonoklast. erst das zerstörte bild ist ein universales bild. wenn ich ein bild male, ist das gleichzeitig die negation dieses bildes. man darf das nicht chronologisch sehen, denn das sichtbare bild rekurriert immer auf das nichts.”
Het ‘niets’ dat zo in het werk van Kiefer ter sprake komt spreekt niet vanzelf. Dat is eigen aan het ‘niets’. Niet spreken, niet sprekend, niets zeggend, zijn kenmerken van het niets maar dat wil niet zeggen dat het niet ter sprake kan worden gebracht. Door een bestaand beeld, een schilderij onder te dompelen in verf, in een zuur, te bewerken, wordt het wel als zodanig ‘vernietigd’, de eerste indruk lijkt dat te zeggen, maar het resultaat is een ander beeld, een ander schilderij, een getransformeerd beeld of schilderij. Of de kunstenaar vernietigt zijn werk en maakt het tot niets – zodat er niets meer van over is. Kiefer: “zu deinem satz über das potential des nichts: nur wenn wir in unseren taten, in unseren entschlüssen zugleich deren negation sehen, sind wir mit dem nichts, das unser reichtum ist, verbunden. alle maler sind ikonoklasten. wie viele bilder habe ich schon verbrannt?
ein philosoph hat einmal gesagt: “diese fragmente würden, wenn sie einmal verbrannt würden, endlich etwas licht geben.” siehe auch heraklit.”

Een schilderij citeert de werkelijkheid op een geheel eigen wijze, het verwijst niet alleen, maar is ook deel van die werkelijkheid en de vernietiging of transformatie van het schilderij doet ook iets met de werkelijkheid waarnaar het verwijst. Wat is werkelijk hier, waar gaat het om en hoe speelt het niets op de achtergrond mee? Als de schilder van nature, van professie, vanuit zijn roeping ikonoklast is, dan betekent dit dat hij elk beeld van de werkelijkheid wel moet vernietigen, aanpassen, vervormen opdat het particuliere universeel kan worden. Kiefer stelt: “zum staub auf der linse: habe viel mit asche gearbeitet, meine zuerst meist bunten (impressionistischen) bilder wurden of mit asche, sand oder staub bedeckt – wurden dadurch vergeheimnisst, wurden durch diesen ikonoklasmus vom besonderen, aktuellen, gesonderten ins universale gehoben.” Van schilderijen die soms te groot waren snijdt hij delen af, die dan weer kleinere werken worden, als detail worden ze geactualiseerd. Als detail zijn ze uit een grotere samenhang van het schilderij uitgesneden “so wie ein foto, ein film nur den besonderen augenblcik meint und nicht das ganze, nicht das ding als solches, so gibt es einen besonderen rhythmus: vom universalen zurück zum aktualen, das heisst zum besonderen, getrennten und dann wieder zu universalen. oft habe ich “fertige” bilder auf buchseitenformate zerschnitten und diese seiten zu büchern gebunden.”
Deze boeken zijn in feite nieuwe getuigenissen, een nieuwe werkelijkheid van citaten, ontstaan uit een ikonoklastische daad van vernietiging. Misschien is spreken, citeren, schrijven ook wel een vorm van ikonoklasme omdat de beelden die we denken te kennen en gebruiken niet eenduidig zijn en dus wel moeten vernietigd worden om misverstanden te voorkomen en te verhinderen dat wij denken dat onze beelden zich dekken met de werkelijkheid. Schrijven, spreken, citeren is dan het oude woord opnemen in een nieuwe context en zo ‘opladen’ met nieuwe betekenissen. Oud wordt nieuw en het nieuwe is niet nieuw maar getransformeerd, geherformuleerd. Zo scheppen we niet alleen een nieuwere werkelijkheid maar wordt de werkelijkheid zelf anders – een oneindig proces van betekenisgeving. Zich realiseren dat dit plaatsvindt – het momentane, het actuele ervaren, tot in de kern ervan doordringen – weten, beseffen, meemaken, en vooral toelaten, zodat je er helemaal door geraakt wordt, zou je een vorm van verlossing kunnen noemen.

abstract 3

Verlossing

De Talmoed leert: kol ha’omer davar besjem omero mevi ge’oela la’olam, wat wil zeggen: ‘iedereen die een woord spreekt in naam van de auteur, brengt de verlossing in de wereld.’
In andere woorden betekent dit dat de praktijk van het citeren een eigen strikte deontologie heeft. Als je een citaat aanreikt aan de lezer, dan moet je altijd ook aangeven waar het vandaan komt, de auteur, het situeren in het werk, kortom, de lezer alle elementen geven zodat die naar de bron kan terugkeren en zo, misschien, door dit terugkeren, nieuwe landschappen kan ontdekken en tekstuele horizonten die voor hem betekenis kunnen hebben.

M.A. Ouaknin

Verlossing door actualisatie, door het besef dat er telkens iets nieuws ontstaat in je spreken en de wijze waarop je betekenis geeft met behulp van oude, bekende begrippen, dat is een vorm van bevrijding die we misschien niet dagelijks zo ervaren. De Duitse dichter Hölderlin heeft eens gezegd: “Wenn es dem Dichter misslingt, in der Tragödie die richtige Worte zu finden, dann brechen die tödliche Worte in die Wirklichkeit ein”. Dat is eigenlijk het negatieve effect van het spreken en schrijven waar de woorden niet treffen en ‘fehl schlagen’. Dat betekent dat woorden krachtig zijn, dat ze effect hebben, kortom dat ze scheppend kunnen werken. Ook het negatieve heeft die kracht. Als de woorden niet in een tragedie de spijker op de kop slaan gebeurt er iets anders. Kiefer reageert op dit citaat van Hölderlin alsvolgt: “das ist wirklich wahr. nur im wort, im richtigen, in der dichtung ist wirklichkeit. wenn sie nicht hergestellt wird, wenn man also alles in der illusion lässt (denn alles, was wir sehen, ist illusion), wenn die zeit zu dürftig wird, dann wird es gefährlich.” Poëzie, dichten, schept werkelijkheid, woorden krijgen een waarheidsgehalte en kunnen verlossend werken, want de werkelijkheid wordt door hen bewogen. Woorden openen een veld van betekenissen. Het is te vergelijken met een tocht door de woestijn. Hoe vind je hier je weg, welke richtingwijzers leiden je veilig door de woestenij van zand? ““Er is geen weg terug meer mogelijk voor degene die ver de woestijn is ingetrokken. Van elders gekomen, is het elders zijn tweede horizon geworden. Zand is de vraag. Zand is het antwoord. Onze Woestijn kent geen grenzen,” schreef rebbe Semama.” zo volgens een citaat van Edmond Jabès die veel over taal, over het boek en over de woestijn geschreven heeft. Vervang het begrip zand door woord en woestijn door taal en dan krijgt het fragment een nieuwe dimensie. De tocht wordt duidelijk, de manier waarop ook.
Edmond Jabès is een inspirerende schrijver die aanzet tot reflectie over ons bestaan. Hij doet met taal, met woorden en met vergezichten wat Kiefer doet met zijn schilderijen. Jabès vertelt verhalen, met fictieve personages. Verhalen die echter rusten in de Joodse mystieke traditie, de bijbel en de concrete geschiedenis. Het zijn verhalen die nieuwe dimensies openen omdat ze leunen op oude betekenissen en zo daarop verder bouwen. Jabès legt betekenissen vrij door woorden, door gebeurtenissen in een nieuwe context te plaatsen. Hij maakt ze vrij van de oude context, lost ze eruit, van het werkwoord lossen, vrijmaken, vrijkopen. De losser is de bevrijder die verlost van de ketenen, de banden van de slavernij. Zo is de Messias een losser, een vrijmaker. Verlossing wordt in de wereld gebracht door het spreken van een woord in naam van een auteur. Jabès voert fictieve rabbijnen op, auteurs, die woorden spreken in hun eigen naam of in de naam van iemand anders. Citaten zijn met naam en toenaam van de auteur tekens van verlossing, van bevrijding. Ze maken nieuwe betekenissen vrij en zijn zo getuigenissen in een scheppingsproces. Jabès schrijft:
“Hij hield een beetje zand in elke hand. “Enerzijds de vragen, anderzijds de antwoorden. Ze zijn beide even zwaar als stof,” zei hij eveneens.
Scheppen is van de toekomst het verleden van elke daad maken.
Met een voorbeeldige stiptheid hervat de jood zijn vrijwillige tocht in de richting van de woestijn; hij gaat een woord tegemoet dat nieuwe kracht heeft gekregen en dat zijn oorsprong is geworden.
“Door te scheppen schep je de oorspring waar je jezelf in stort,” schreef rebbe Sanua.
“De oorsprong is afgrond.” Rebbe Behit.” (einde citaat)
Jabès werd is door een toeval, een toevallige ontmoeting in een park in Parijs, de leermeester van die andere rabbijn en filosoof Marc Alain Ouaknin, die ik graag citeer en die mij aanzet tot verder nadenken over de relatie God-mens-werkelijkheid. Deze denkers zetten met hun werk een spoor uit dat lijkt op een tocht door de woestijn, een tocht die al duizende jaren duurt en nog duizende jaren zal voortduren als wij onze taal blijven spreken zoals we nu doen: betekenis op betekenis stapelen. Als mens, als individu, als subject ben je een klein wieltje in dit grote geheel, fragment, fragmentarisch, maar essentieel. Als zij die je voorgingen er niet waren geweest, zou jij er ook niet zijn gekomen. Als jij de woorden niet had gesproken die vrij kunnen maken, zouden de toehoorders nog altijd in slavernij zuchten en smachten. Durf je en kun je, je eigen rol in de geschiedenis, in het spreken, opvatten als een messiaanse rol? Een rol als verlosser, losser, bevrijder? Durf je zo te spreken, met de juiste woorden, durf je de uitdaging aan om in dit proces van betekenisgeving jouw betekenis te geven zodat die weer bouwsteen kan worden voor andere betekenissen? Durf je door te geven wat je ontvangen hebt en wat je dagelijks kunt ontvangen? Doorgeven van licht, van innerlijk licht, inspiratie, bevrijding?

verhalen
Anselm Kiefer

Kracht en licht

‘De schrijver wendt zich tot het schrijven omdat hij in de woorden een kracht voelt die van heel ver komt, van een diepe laag uit de geschiedenis en de menselijke prehistorie.
Omdat de woorden hem verbinden met de meest oorspronkelijke vertes van zijn
persoonlijke geologie. En nog verder… schrijven doet je duiken, de wereld van het oppervlak verlaten. Schrijven is graven in je verleden en het is gravend in het verleden dat je de weg naar je toekomst opent.’

‘In elk leven is er een moment van licht dat zo intens is dat het, zelfs als het onmiddellijk ingehaald wordt door de schaduw, een oergebeuren vormt, onzegbaar, dat je een leven lang probeert te verwoorden. Het gaat er niet om dat licht te begrijpen of te verklaren, want in de dieptes waarin we ons wagen is alles hoogst onverklaarbaar. Het gaat er alleen om verder te leven, verlicht door dit licht, in het leven geroepen door het geheugen, licht dat van elders komt en waardoor je voelt dat het leven in zich een overvloedige, een onuitputtelijke schat bergt.

Dat licht, ik ken het niet,

maar ‘ik vermoed er het geraas van, zoals je, op de oever, op een mistige dag, de aanwezigheid van de oceaan kunt horen zonder die te zien.’

M.A. Ouaknin

Anselm Kiefer is op zoek naar dit licht dat Ouaknin beschrijft, als hij zijn ‘hemelpaleizen’ bouwt, ruimtes waar binnen de mystiek van de Sohar (kabbala), de ‘doxa’, heerlijkheid van het goddelijke aangeraakt kan worden. Kiefer zet zijn zoektocht voort, een spoor dat hem langs oude tradities voert en dat reikt naar de sterren. Het leven, ons leven, is een mysterie, net als de dood. In ons lichaam dragen wij dit mysterie verder en geven het door. De kunstenaar verbeeldt dit lichaam, maakt het tot zegel, tot teken om de toeschouwer te laten ervaren dat het lichaam meer is dan een object, meer dan een drager, meer dan een kracht en stuk materie. De kunstenaar die oude beelden vernietigt om nieuwe bloot te leggen als een ikonoklast, is op zoek naar dit innerlijke licht. Zijn kracht is het om het starre, behoudende, verengende te slopen, als dit verhindert dat het nieuwe kan worden waargenomen en ervaren. Daarom zijn kunstenaars hemelbestormers. Ze richten nieuwe paleizen op, nieuwe torens om de werkelijkheid waar te nemen. En de volgende generatie gaat weer hierin verder. De reis is nooit voltooid, nooit is er een definitieve thuiskomst. Houvast is een illusie die maar even duurt. Ook zo in de taal en in de betekenissen. Dat schept misschien onzekerheid maar geeft ook veel vrijheid. In de woestijn is de sterrenhemel het enige houvast. Die laat je ervaren wie je bent, wat je bent en waar je bent. Mininiem klein onderdeel van een oneindige kosmos. Al ons pogen is stukwerk, misschien wel ontkenning van dit inzicht omdat we deze onmetelijke vrijheid niet aankunnen.
Edmond Jabès past dit ook toe op de taal, op de woorden in de woestijn, op de woorden die God sprak en spreekt, hij schrijft:
“ – Als God in de woestijn: gesproken heeft, dan is dat om Zijn woord van elke wortel te beroven, opdat de schepselen bevoorrecht zijn in hun verbond met Hem. Van onze ziel zullen wij een verborgen oase maken, zei rebbe Abravanel.
En met Zijn geschreven woord, vroeg de volgeling, wat doen we daarmee?
Van Zijn verkondiging van vuur maken we een boek van vuur dat niet kan opbranden en dat nooit zijn laatste lezing krijgt, antwoordde rebbe Abravanel. Maar rebbe Hassoud, wiens uitspraken en commentaren vanwege hun vrijmoedigheid meestal slecht in de smaak vielen bij de exegeten, kwam tussenbeide en zei:
Zwervend is het woord van God. Het vindt zijn echo in het woord van het rondzwervende volk. Zijn woord kent geen oase, geen enkele schaduw, noch enige vrede, doch slechts de onmetelijkheid van de zeer dorstige woestijn; doch slechts het boek van die dorst, het allesverzengende vuur van het vuur dat op de drempel van de verterende onleesbaarheid van het overgeleverde Boek alle boeken tot as terugbrengt.” (einde citaat).
Daarmee zijn we terug bij af, de reis die misschien in ons leven een keer hoopvol begint in de wereld van de taal is nooit ten einde en kan ook nooit het einde bereiken. Pas de dood breekt een leven af dat op reis was. Jabès krijgt er niet genoeg van de kracht van het woord te benadrukken tegen de achtergrond van het eindige, het oneindige, kenbare en het onkenbare, het niets, de leegte. Hij schrijft:
«Om ons meester te maken van het universum, beschikken wij, zonderlinge vissers, slechts over een opeenstapeling van netten, die door de rede geknoopt zijn. Het oneindige is bezaaid met nutteloze, ondeugdelijke knopen» schreef rebbe Sari.

«Jij gelooft dat je het woord kunt uitvlakken met er een streep door te zetten. Weet je dan niet dat de streep transparant is? Niet de pen streept het woord door, maar de ogen die het lezen» schreef rebbe Taleb.

«Het woord ontwikkelt zich alleen overdag. Het woord is de vogel waarvan de schaduw schrift is» zei rebbe Naoumi. Waarop rebbe Haled antwoordde: «Het schrift is in dat geval het bewijs van het woord, zoals de schaduw op elk moment het bewijs van de dag is.» En bij voegde eraan toe: «Welke dag kunnen we ons voor de geest halen die niet eerst louter nacht was?» (einde citaat)

Als Jabès terugkijkt op zijn werk, op zijn schrijven en verwoorden komt hij net als Kiefer tot de conclusie dat het universum in ons werkt als een onzichtbare kracht waarvan wij de strekking niet begrijpen. We hebben alleen onze taal, onze beelden, ons kunstenaarschap om er stem aan te geven. Meer autoriteit is er niet, want de zeggingskracht verandert met de wijze waarop wordt geciteerd en waarmee commentaar wordt geleverd. Het eigen leven staat borg hiervoor. Daaruit wordt geput en worden nieuwe draden, nieuwe argumenten en inzichten verder ontwikkeld. Inkt als bloed, martelarenbloed, getuigenisbloed waarmee persoonlijke betekenis in woorden wordt gevat en zo voor anderen betekenis kan krijgen. Van het particuliere naar het universele, van het onbekende naar het bekende opdat er stelling kan worden genomen, een houding ingenomen, een gedachte kan worden gevormd die eigen is aan je eigen leven. Jabès schrijft:
“Mijn boeken stoelen op toevallige citaten van fictieve personages, op hun omstreden borgstelling: steunen ze, in het aangezicht van de dood, dus slechts op zichzelf – op mij? Maar is er wel sprake van ondersteuning?
Ze berusten op hun eigen zeggingskracht die hun geen enkel respijt laat. Ze beroepen zich op geen enkele autoriteit, laten zich op geen enkele waarheid voorstaan, behalve dan die welke zichzelf onophoudelijk ter discussie stelt; daarom kunnen ze niet naar een of andere zekerheid streven of ook maar een beroep doen op enige hulp.
Boeken van een woord dat nooit afgerond is, evenmin dwingend als overtuigend, niet zekerder van zichzelf dan het van enig ander woord is. Boeken van een boek dat aan de vier horizonten gekluisterd zit en waarvan de zinnen de ruimte bekrassen, dunne straaltjes bloed…

«Het bloed van het universum voedt het woord dat het benoemt» zei rebbe Asfi. En hij voegde eraan toe: «De dageraad en de schemering zijn wellicht de twee polen van het woord.» «Maar daartussen,» vroeg men hem, «wat zit daartussen?» «Ongetwijfeld zit daar de dag en de nacht van de niet te dateren pijn,» antwoordde rebbe Asfi.” (einde citaat)

Zo wordt het universum tot woord met alle hoogtes en dieptes van ons leven. Een kracht die wij met onze rede niet vatten noch kunnen bevatten. Dat hoeft ook niet. Het feit dat we erover kunnen schrijven, verhalen vertellen, is genoeg.

John Hacking
29 april 2017

horizon

Citaten uit:

Ouaknin, Marc-Alain, ¿ God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)

Bijlage DVD: Anselm Kiefer / Alexander Kluge, Der mit den Bildern tanzt. Filme & Gespräche, Berlin 2017 (Suhrkamp Verlag) (p.s. citaten van Kiefer zijn allemaal zonder hoofdletters in het origineel)

Jabès, Edmond, fragmenten uit Le Livre des Ressemblances. Het Boek der Gelijkenissen, in Speybroeck, van Daan, De tranen van God. Genese van het beeld in werk van Gérard Garouste Jospeh Semah, Nijmegen 1998 (KUN), p. 52-63

 

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

 

Books

Little books with poems and paintings: El Fulgor, Rails, Snow

download of read them by clicking on the titles and then the books….

El fulgor paintings

Illustrations by 10 Poems of
José Angel Valente

El fulgor (1984)

number:
I, VII, VIII, XII, XV, XXV, XXVIII, XXX, XXXV, XXXVI

pigments, ink, sumi-e, pastel on paper
2016, 50×70 cm

El fulgor paintings new

Illustration of 36 Poems of
José Angel Valente

El fulgor (1984)

pigments, ink, sumi-e, pastel on paper
March 2017, 48×36 cm

Rails

18 collages – rails – stations with 18 poems

pigment, ink, sumi-e on paper

2017, 30×40 cm

snow
5 collages – snow-landscape Limburg with 5 poems

pigment, ink, sumi-e on paper

2017, 30×40 cm

 

landschapslicht

Landscapes and poems

6 collages and two paintings – and poems

pigment, sumi-e on paper

2017, 30×40 cm

rails

 

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

Ícaro

Sobre la horizontal del laberinto
trazaste el eje de la altura
y la profundidad.
Caer fue sólo
la ascensión a lo hondo.

Icarus

Op de horizontale lijn van het labyrint
tekende je de as van de hoogte
en de diepte.
Vallen was alleen maar
het opstijgen naar de diepte.

(vertaling G. Droogenbroodt)

Escribir es como la segregación des las resinas; no es acto, sino lenta formación natural. Musgo, humedad, arcillas, limo, fenómenos del fondo, y no del sueño o de los sueños, sino de los barros oscuros donde las figuras de los sueños fermentan. Escribir no es hacer sino aposentarse, estar.

Schrijven is als de afscheiding van het hars; het is geen handeling, maar trage natuurlijke ontwikkeling. Mos, vocht, klei, slib, verschijnselen van de bodem, en niet van de slaap of vande dromen, maar van de donkere leemaarde waar de gestalten van de dromen gisten. Schrijven is niet maken, maar onderkomen vinden, vertoeven.

(vertaling G. Droogenbroodt)

La lentitud de la destrucción,
sus prolongados hilos húmedos,
el odio con retráctiles
pupilas amarillas,
la corrupción de la memoria y las figuras
revestidas de cera muerta en los salones
de derrumbaba cal.

Tanteas, tocas, palpas ciegos
los residuos de ti.

Sombrío cae el año hacia su muerte,
las conmemoraciones del difunto, el ácido
reclamo de la noche.
Imágenes
de imágenes.
Qué queda en los espejos,
en los largos pasillos naufragados,
en el recinto pálido del aire,
en el testimonio del testigo de quién.

Resuenan victoriosos los timbales
sobre las sumergidas formas rotas,
el viento y sus cenizas.
Desaparición.

De traagheid van de aftakeling,
haar vochtige uitgesponnen draden,
de haat met intrekbare
gele pupillen,
het verval van het geheugen en de gedaanten
bedekt met dode was in de salons
van neergevallen kalk.

Je tast, raakt aan, betast als een blinde
de overblijfsels van jezelf.

Droefgeestig valt het jaar naar zijn dood,
de herdenkingen van de overledene, de wrange
lokroep van de nacht.
Beelden
van beelden.
Wat blijft er in de spiegels achter,
in de lange verdronken gangen,
in de vale ruimte van de lucht,
in de getuigenis van de getuige van wie.

Triomfantelijk weerklinken de pauken
boven de verzonken, gebroken gedaanten,
de winden zijn as,.
Verwijding.

(vertaling G. Droogenbroodt)

 

Se daban
las condiciones perfectas para morir.

De lo más próximo nacía
lacerante la ausencia.

Tendida estaba entre los dos la muerte
como animal tardío de ojos grandes
y anegadas ternuras, madre
ciega madre inmortal.

Mi rostro era su máscara,
mi voz su voz.

No hay llanto en las perdidas alamedas.

Postreros pájaros borrados
en la declinación oscura de la luz.
Verleend waren
de volmaakte omstandigheden om te sterven.

Uit de dichtste nabijheid
groeide grievend het gemis.

Tussen beiden uitgestrekt lag de dood
als een achterlijk dier met grote ogen
en gesmoorde tederheid, moeder,
blinde onsterfelijke moeder.

Mijn gelaat was haar masker,
mijn stem haar stem.

Er is geen weeklacht in de verloren populieren.

De laatste vogels uitgewist
in de duistere teloorgang van het licht.

(vertaling G. Droogenbroodt)

En medio de la lenta corrupción de los días, del paso oscuro de las horas como hojas caídas a mitad de la noche, entre el espasmos gris de las salivas, húmeda, discurres por tu cuerpo como incierto navío, no sabes dónde hallarte ni cuál el el final ni qué comienzo al término de ti te llevaría y sueñas, desde tu propio sueño te prolongas hacia el último vestigio ciego azul del aire y en él, al fin, te entregas, te sumerges, gimes en sus vencidos pabellones.
Temidden van de trage teloorgang der dagen, van het obscure schrijden der uren als bladeren gevallen in het holst van de nacht, tussen het grijze spasme van het speeksel, vochtig, trek je als een onzeker vaartuig door je lichaam, je weet niet waar je verblijft noch wat het einde is noch welk begin je na je einde mee zal voeren en je droomt, vanuit je eigen droom leef je voort tot aan de laatste blindblauwe flard van de lucht en dáárin, geef je je tenslotte over, laat je je wegzinken, zucht je in haar overwonnen paviljoenen.

(vertaling G. Droogenbroodt)

No dejéis morir a los viejos profetas pues alzaron su voz contra la usura que ciega nuestros ojos con óxidos oscuros, la voz que viene del desierto, el animal desnudo que sal de las aguas para fundar un reino de inocencia, la ira que despliega el mundo en alas, el pájaro abrasado de los apocalipsis, las antiguas palabras, las ciudades perdidas, el despertar del sol come dádiva cierta en la mano del hombre.

Jullie lieten de oude profeten niet sterven omdat ze hun stem verhieven tegen het gewoeker dat onze ogen verblindt met duister roest, de stem van de woestijn, het naakte dier dat uit het water opdoemt om een rijk van onschuld te stichten, de toorn die de vleugels van de wereld ontvouwt, de verschroeide vogel van de apocalypsen, de oude woorden, de vergane steden, het ontwaken van de zon als onbetwistbare gave in mensenhand.

(vertaling G. Droogenbroodt)

Tenía el mar fragmentos laminares de noche. Los arrojaba al día. Para que el ave tendida de la tarde no pudiera olvidar su origen en los terribles pozos anegados del fondo.

De zeer hield van de nacht nog dunne flarden vast. Gooide ze in de dag. Opdat de uitgestrekte vogel van de avond zijn ontstaan in de verschrikkelijke, overstroomde putten van de bodem niet zou kunnen vergeten.

(vertaling G. Droogenbroodt)

Valente gedichten uit:
Valente, J.A., De compositie van de stilte. Gedichten, (vertaling Bart Vonck)Brussel 2003 (Wagner en van Santen)
Lichtgevende schaduwen – Sombras Luminosas. Gedichten van José Ángel Valente, vertaling Germain Droogenbroodt, Meerbeke Ninove 1997 in: Point 83 jrg.

kruiswoord

Horizon en hemel en aarde in mijn werk

sacraliteit

Poussière tu m’émeus aux larmes
Stof je roert me tot tranen.

René Char, uit: Dépendance de l ‘adieu, uit : Draussen die Nacht wird regiert, p. 14

Twee thema’s, die in mijn werk samenhangen, en die te onderscheiden maar voor mij niet te scheiden, zijn: de horizon en ‘hemel en aarde’. De horizon is de denkbeeldige lijn tussen hemel en aarde en de letterlijke scheiding tussen de aarde en wat daarboven komt. Voor het gemak noem ik de lucht hemel en de bodem daaronder aarde. Hemel en aarde zijn eigenlijk constructies, begrippen die voor een ‘wereld staan’, “für eine Welt” zou Heidegger zeggen. Dat betekent dat de begrippen hemel en aarde niet waardevrij zijn, geen echte empirische grootheden, maar een aanduiding van de werkelijkheid die op een heel eigen wijze geladen is met betekenis. In deze begrippen klinkt de historie van de mensheid mee, de concrete en de ideeëngeschiedenis, het falen en mislukken en het behalen van overwinningen. Kortom het zijn begrippen waarmee de historie van de mensen en de religieuze geschiedenis van de mensheid aan het woord komt. Vandaar dat zij een grote aantrekkingskracht op mij uitoefenen en daarin sta ik niet alleen. Velen zijn mij voorgegaan en velen zullen mij nog volgen. Om met Kiefer te spreken, de aura van deze begrippen inspireert en zet aan tot schilderen.
De horizon is de verbindingslijn, het punt waar hemel en aarde bij elkaar komen en elkaar raken. Zonder die horizon geen scheiding maar ook geen hemel en aarde. Dan is het of het een of het ander. De horizon fascineert mij in hoge mate omdat het kijken naar de horizon en de bepaling van de horizon in de letterlijke en geestelijke zin van het woord ruimte geeft. De horizon ligt niet bij voorbaat vast. De horizon wil ontdekt worden, wil gevonden worden en dat is het mooie ervan hij verandert, hij verschuift voortdurend. Telkens als wij van plaats verwisselen schuift de horizon op, komt hij dichterbij of verdwijnt hij in de verte. De horizon is een vreemd fenomeen, gebonden aan onze waarneming leidt hij wel en geen eigenstandig leven. De horizon is in mijn ogen de bondgenoot van de mens omdat hij staat voor wat de mens kan bereiken en waarnaar hij kan verlangen. Als bondgenoot maakt hij dat voortdurend zichtbaar. De mens die de horizon niet opmerkt verkeert in een staat van blindheid, van desoriëntatie, van vertwijfeling zo je wilt. Want er zijn geen aanknopingspunten voor een oriëntatie, het leven is een zoeken en dolen, zonder begin en zonder einde. De weg is nooit een chaos, of een samenloop van toevalligheden. De weg begint altijd onder je voeten, daar waar je staat en waar je vandaan komt en naar toe gaat. Je oriënteren op de grond onder je voeten, of de hemel boven je hoofd zonder horizon is een zinloze bezigheid want er is geen overzicht, dat wil zeggen geen verleden en geen toekomst, geen gisteren en geen morgen. Het komt overeen met de rust in de kist – de doodsslaap, niets hoeft meer. De horizon is dus in deze zin levensnoodzaak, aanzet en bemoediging.
Met deze ietwat metaforische beschrijving heb ik proberen aan te duiden wat mij drijft in het gedreven schilderen van de horizon tussen hemel en aarde. Op elk werk komt deze horizon op de een of andere wijze terug. Soms prominent, soms verborgen op de achtergrond.
De hemel en aarde vormen een soort tegenhanger van elkaar, getrouw aan het principe dat de aardse realiteit een kopie heeft in de hemel. Niet letterlijk maar metaforisch. Hemel en aarde spiegelen zich daarom vaak in elkaar, zij vormen als het ware geen tegenstellingen die elkaar opheffen, maar zij vullen elkaar aan, vervolmaken elkaar en geven accenten waardoor de ander tot zijn recht komt. In mijn werk probeer ik dat te bereiken door de kleur, de wolkenpartijen in een blauwe hemel, de lagen boven elkaar op de aarde en in de hemel, en door de accentuering van de horizon. Oudere lagen staan vaak voor de werkelijkheid die onder de werkelijkheid van hemel en aarde verborgen zit, een soort sacraliteit van het landschap dat nauwelijks is zichtbaar te maken. Sacraal wil hier zeggen, apart gezet, afgescheiden van de rest, opvallend anders, een ander patroon en andere kleuren. Niet opvallend, maar bescheiden, haast onzichtbaar, timide, zich niet opdringend. Pas als je er oog voor hebt en let op de structuren van de verf, het schilderij, de compositie gaat het opvallen. Het materiaal van de verf en de ondergrond vormt het omhulsel waarbinnen het landschap zich presenteert. En het presenteert zich op een bijzondere wijze, dat is niet alledaags, niet vertrouwd, niet een kopie van het zichtbare en bekende. Dat is ook niet belangrijk, om het zichtbare te kopiëren, want wie is hiermee gediend? Dat is niet mijn streven, niet mijn doel. Mij gaat het erom om de horizon te doen oplichten, de relatie tussen hemel en aarde te verdiepen en de dubbele gelaagdheid van de werkelijkheid die volgens mij ook een sacrale dimensie heeft te voorschijn te halen.
De techniek is hierbij hulpmiddel: verf gemaakt van pigmenten en gebonden met water en verschillende bindmiddelen die invloed op elkaar uitoefenen zodat ook het toeval een grote rol speelt bij de totstandkoming van een werk. Uitgangspunt is vaak een concreet landschap dat in de vorm van een foto wordt toegevoegd en waaromheen ik dan een nieuw landschap schilder. Maar dat laatste hoeft niet, vaak is de verf zelf het uitgangspunt en begin ik met het maken van verf en het trekken van een paar lijnen op een vel papier: dan ontstaat vanzelf een landschap, zonder bijbedoeling, zonder opzet en zonder compositie in mijn hoofd. In feite ben ik nog steeds de verf en de penseelstreek aan het verkennen en doe dat vanuit het thema landschap met een accent op de horizon. Schilderen is dus in de traditie van de oude sumi-techniek het maken van het grote gebaar. Van binnen uit. De arm doet het werk. Het hoofd komt hoogstens achteraan om als het werk klaar is een kleine bijdrage te leveren in de vorm van een betekenis. Een mogelijke betekenis. Maar eigenlijk is dat niet meer interessant voor het schilderen zelf.

Le poète est l’homme de la stabilité unilatérale.
Le poète ne s’irrite pas de l’extinction hideuse de la mort, mais confiant en son toucher particulier transformer toute chose en laines prolongées.
De dichter is de man van eenzijdige stabiliteit.
De dichter maakt zich niet kwaad over de afschuwelijke verdwijning in de dood, maar vol vertrouwen op zijn eigen bijzondere tastzin, verandert hij alles in langgerekte wol.

René Char, Uit: Partage Formel, uit: Draussen die Nacht wird regiert, p. 36

Bijlage uit: God in het landschap. Zoektocht naar  een horizon. Een semiotische analyse  van het landschapsschilderij  als religieuze heterotopie – 2006

Hier te downloaden: http://www.canandanann.nl/essays/

schilderen

 

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

Maria ikoon

maria ikoon maria ikoon

Maria Ikoon – drieluik pigment, inkt op hout 2005

12-24-12 cm breed x 65 cm hoog (4 cm dik)

UTOPIA

Het eiland waar alles wordt opgehelderd.

Hier kan men op vaste bewijsgrond staan.

Er zijn geen andere wegen dan de toegangsweg.

De struiken buigen door van alle antwoorden.

Hier groeit de boom van het Juiste Vermoeden
met eeuwig ontwarde takken.

De verblindend simpele boom van het Begrijpen
bij de bron die Ah Dus Zo Zit Het heet.

Hoe dieper her bos in, des te breder
het Dal der Vanzelfsprekendheden.

Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.
De Echo neemt ongeroepen het woord
en verheldert graag de geheirnen van de werelden.
Rechts de grot waar de Betekenis ligt.
Links het meer van de Diepe Overtuiging.
De Waarheid maakt zich los van de bodem en drijft zachtjes omhoog.

Boven het dal torent de Onwankelbare Zekerheid op.
Vanaf haar top strekt zich het Wezen der Dingen uit.

Ondanks al deze verlokkingen is her eilland onbewoond
en de vage voetsporen die je op de kusten ziet
wijzen zonder uitzondering in de richting van de zee.

Alsof men hiervandaan alleen vertrekt
en onherroepelijk in het diepste onderzinkt.

In een leven dat niet te doorgronden is.

 

uit:

Wyslawa Zsymborska, Einde en begin, Gedichten 1957-1997, Meulenhoff, Amsterdam, 1999. Vertaald uit het Pools door Gerard Rasch. p. 193-194

 

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

 

kruiswoorden landschappen

Zeven Kruiswoorden – abstract 2002 pigment en inkt op doek 90×90 cm

MY BRIGHT ABYSS

My God my bright abyss
into which all my longing will not go
once more I come to the edge of all I know
and believing nothing believe in this.

And there the poem ends, Or fails, rather, for in the several years since I first Wrote that stanza I have been trying to feel my way-to will my way-into its ending. Poems in general are not especially susceptible to the will, but this one, for obvious reasons, has proved particularly intractable. As if it weren’t hard enough to articulate one’s belief, I seem to have wanted to distill it into a single stanza. Still, that is the way I have usually known my own mind, feeling through the sounds of words to the forms they make, and through the forms they make to the forms of life that are beyond them. And I have always believed in that “beyond,” even during the long years when I would not acknowledge God. I have expected something similar here. I have wanted some image to open for me, to both solidify my wavering faith and ramify beyond it, to say more than I can say.

In truth, though, what I crave at this point in my life is to speak more dearly what it is that I believe. It is not that I am tired of poetic truth, or that I feel it to be somehow weaker or less true than reason, The opposite is the case. Inspiration is to thought what grace is to faith: intrusive, transcendent, transformative, but also evanescent and, all too often, anomalous. A poem can leave its maker at once more deeply seized by existence and, in a profound way, alienated from it, for as the act of making ends-as the world that seemed to overbrim its boundaries becomes, once more, merely the world-it can be very difficult to retain any faith in that original moment of inspiration at all. The memory of that momentary blaze, in fact, and the art that issued from it, can become a reproach to the fireless life in which you find yourself most of the time. Grace is no different. (Artistic inspiration is sometimes an act of grace, though by no means always.) To experience grace is one thing; to integrate it into
your life is quite another. What I crave now is that integration, some speech that is true to the transcendent nature of grace yet adequate to the hard reality in which daily faith operates. I crave, I suppose, the poetry and the prose of knowing.

uit:

Wiman, Christian, My Bright Abyss. Meditation of a Modern Believer, New York 2013 (Farrar, Straus and Giroux)

 

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

 

Four stages of the cross

Four stages of the cross – 2015 pigment en inkt op hout 122x 90 cm

 

BUCHENWALD

Tussen de bomen van vroeger
waar het lichtwater kon worden
klinken de stappen gedempter
achter de trom van het bloed.
Hoor de verdronkenen zingen
ongerept en beveiligd
tegen de dwang van het lichaam
boven de boomtoppen uit:

Moeders, laat ons nog eenmaal
over uw lichaam de nacht zien
met de verdonkerde manen
van uw gespleten borst.
Kamperfoelie van geuren
breekt wat vergeten werd open
onder de hemelen van een .
stilte die niemand schaadt.
Want de mei is gekomen
over de vogels de kleinen
over de snelle vossen
over de wijngaard des bloeds.

Draagt ons vergeten en vruchten,
moeders, de kinderen die wij
langzaam en onbeholpen
uit de klei der verwachting
hebben gekneed naar ons eigen
evenbeeld: God.

H.J. van Tienhoven

KASTANJE

De levenbrengende, de fakkeldrager,
’t veelhandig loofhout dat zijn licht ontstak,
de kaarsen brandend en van was bedropen,
de ziekenzaal verlichtend met één tak,

slaat in dit dodenrijk een bres van voorjaar,
een vlam die schrijnen kan maar niet verwondt;
totdat de bloesems vallen, nauwlijks hoorbaar,
één voor één, als wasdroppels op de grond.

Uit alle bedden zien de stenen ogen,
gestold reeds tot een onbewogen schrik,
de doodsengel, dienstvaardig en gebogen,
geluidloos bezig met veger en blik.

Zijn handen tasten naar dood vruchtbegin.
Hij snuit de kaarsen. -Schemering valt in.

H.J. van Tienhoven

STAMBOOM

De spechten die mijn stam te vinden weten
mogen er aankloppen om gulonthaal
en uit mijn lijfsvoorraden wormen eten
zonder te weten dat ik zon vertaal,

blad na blad vullend met geheimschrift, vlammen,
brandend op mijn bloedeigen stam geënt,
zolang de zomeravond wachten kan en
stil wordt van aandacht naar mij toegewend.

Niets gaat er straks teloor in ’t grote vallen,
niets wordt gewonnen dan die laatste zon.
Eet, spechten, eet. – Nog deze winter zullen
doden ontberen wat uit mij begon.

H.J. van Tienhoven

 

If you want to buy one of my paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a painting on this site, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Art-collectors in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com